In het voorjaar stonden we als leraren op een ochtend weer in de kring om de spreuk te zeggen. Op hetzelfde tijdstip, kwart over acht, met altijd dezelfde woorden tot besluit: “Dit kind is tot jou uit de geestelijke wereld neergedaald, jij moet zijn raadsel oplossen, van dag tot dag, van uur tot uur.” Ik herinner me dat we in Breda elkaar dan allemaal even bij de hand namen en opgewekt “een goede dag” toewensten. In Amsterdam valt er even een stilte en ieder gaat zijn weegs. Maar deze ochtend was er een collega, die opmerkte dat deze woorden niet meer van deze tijd waren. Het was toch allemaal veel te badinerend: “Jij moet zijn raadsel oplossen… Die kinderen zijn 15, 16 en ouder. Hoezo moeten wij hun raadsel oplossen. Dat doen ze toch zelf wel!” De koffie werd ingeschonken, de tassen gepakt en ieder vertrok naar zijn lokaal. De woorden werden gesproken door een collega met een staat van dienst die meer dan 25 jaar omspande. Reden te meer om zijn woorden serieus te nemen.


In de zomer namen we afscheid van de twaalfde klassers. Traditiegetrouw werd het eindgetuigschrift uitgereikt in het bijzin van de ouders, en iedere leerling werd kort toegesproken door een leraar. Het was deze keer een erg lange avond en het was snikheet, waardoor er een zekere matheid voelbaar werd. Aan het einde van de pauze kwam er een collega naar me toe, die me smekend vroeg aan haar te denken. Ze moest zo dadelijk Mireille toespreken, maar in plaats daarvan zou ze gaan dansen. Dansen? Ik keek mijn collega verbaasd aan. Ik kende haar weerzin tegen beweging. Zelfs als student kreeg men haar niet op de dansvloer. Denk aan me, zei ze gespannen. Even later ging er een golf van ontroering door de zaal. Mireille leidde haar lerares over de vloer in zwierige danspassen. Even later nam ze beide armen van haar lerares en nam achter haar plaats. Daar stonden ze, pal voor de zaal, met licht wiegende bewegingen. Het gezicht van mijn collega door grote onzekerheid getekend. Het gelaat van Mireille ging open als een bloem. Zo hadden we haar nog nooit gezien. De Mireille die altijd te laat kwam, haar huiswerk niet maakte, haar afspraken niet altijd nakwam, haar zwijgende norsheid. Wat straalde ze nu!


In de herfst. De tijd van Michaël nadert. Een collega brengt uitkomst. De woorden die we elke morgen in de kring zeggen zijn rechtstreeks ontleend aan een voordracht van Steiner op 4 november 1922 in Den Haag. Het is letterlijk een zin geplukt uit een voordracht. Dat moet een leraar vol daadkracht zijn geweest. Je komt op een idee, voert het uit en maakt het tot ritueel van de gehele Nederlandse vrije schoolbeweging. Was het Max Stibbe? Hoe wenselijk is deze gang van zaken? Krijgen deze woorden niet erg veel gewicht. En zijn ze nog wel van deze tijd? In de wandelgangen spreken we er zo nu en dan over. Opeens is er een idee. Als we de woorden vervangen door iets anders. We hoeven ze toch niet af te schaffen. Op zoek bij Steiner naar iets nieuws? Iemand mompelt: wat denken jullie van de woorden van Johannes de Doper: “Hij moet groeien, en ik moet minder worden.” Het is stil. Ik voel enthousiasme in me branden. Ik zie mijn collega dansen met Mireille. Daar werd het voorgedaan: de leerling moet groeien, de leraar moet minder worden. Ja, denk ik. Dat is de stijl van de vrije school nu. We doen een stap terug, houden onze verhalen wat meer voor onszelf, scheppen ruimte en geven de jong volwassene de ruimte om te worden wie hij is.