Ieder kind maakt in zijn ontwikkeling naar volwassenheid de fase van de puberteit door. Het paradijs van de meestal zonnige en onbezorgde kindertijd wordt dan smartelijk verlaten en wat zich aandient is nog onbekend. Op de drempel van de deur die voorgoed de kinderjaren zal afsluiten, ziet het kind zich geconfronteerd met allerlei taken die hem de komende jaren zullen bezighouden: de verandering van het lichaam, sexualiteit en intimiteit, de drang naar vrijheid en de omgang met autoriteit, het verlangen naar oprechte vriendschap en ook start er een aarzelende zoektocht naar religie, naar de vraag of er meer is dan de platte wereld van alledag, die ons omringt.

“ God heeft de mensen lief” en “ er wordt in de wereld veel geleden” zijn twee gedachten die op het eerste gezicht onverenigbaar zijn. De opgroeiende puber kan er, voor het eerst in zijn jonge leven,  ernstig over nadenken en heftig over discussiëren. Wat is de conclusie? Dat God niet bestaat en dat geloof en kerkgang worden afgezworen? Of dat het lijden een belangrijke functie in de wereld heeft, om mensen tot bewustzijn te brengen van het leven dat ze leiden? De conclusie trekt hij zelfstandig, neemt hij in vrijheid.

Als vrije school werken we met een spiritueel mensbeeld, met aandacht ook voor de innerlijke wereld van het opgroeiende kind, en we markeren sinds de oprichting van onze school de overgang naar de puberteit waarin de religieuze gevoelens een eigen plaats krijgen, met een bewust moment, met een cultus -  jeugdhandeling geheten -  voor alle kinderen. Een cultus houdt in: een eredienst. Een samenzijn van leerkrachten en leerlingen waarin plechtig wordt stilgestaan bij de drempel waarop ieder kind staat.