Wat maakt de vrijeschool anders dan de gewone school om de hoek? Over de eigen plaats en rol in de omringende wereld wordt in vrijeschoolkringen tegenwoordig druk gesproken. Onlangs is er in conceptvorm een stuk verschenen over de identiteit, in opdracht van de Vereniging van vrijescholen. Hierin staat te lezen dat een echte vrijeschool bijvoorbeeld voldoet aan zes kernwaarden, waaronder authenticiteit en ontwikkeling. Daarnaast waren er op de jaarlijkse Michaëlsconferentie in Nijmegen twee gastsprekers uit universitaire kringen. Een prima initiatief, maar  hoogleraar Koops uit Utrecht bekritiseerde fel het Duitse idealisme en de fasentheorie van de bioloog Haeckel en merkte fijntjes op dat we met zijn allen na de tweede wereldoorlog gelukkig zo verstandig waren geworden, die dwaze ideeën achter ons te laten… Hij is zo slecht thuis in de ideeen van Steiner dat hij niet doorhad daarmee ook de basis van de vrijeschoolpedagogie met een bruusk gebaar van tafel te vegen. We zoeken op de tast in donkere tijden naar een kennelijk moeilijk te grijpen identiteit. Kan de wetenschap voor de vrijeschoolbeweging iets betekenen?

In 1929 verscheen er in Duitsland een proefschrift over de vrijeschoolpedagogie. De studie van Ilse Staedke gaat in op de ‘Brieven over de esthetische opvoeding van de mens’ van Schiller, die in vrije schoolkringen een grote reputatie hebben, maar nog zelden worden gelezen. Staedke laat zien hoezeer de ideeën van Steiner wortelen in de filosofische visie van Schiller. In een kort maar leerzaam overzicht plaatst Staedke Steiner in de traditie van Comenius en Pestalozzi, Goethe en Schiller. Met als tegenpolen pedagogen als Rousseau en Herbart. Vervolgens worden de grondbegrippen uitgelegd van de esthetische opvoeding bij Schiller en die worden gekoppeld aan de driegelding van het menselijk organisme. Aan de hand van concrete voorbeelden uit het leerplan wordt deze theorie concreet toegelicht. De studie is kort en nogal weerbarstig. De lezer zal thuis moeten zijn in Schiller en Steiner, anders gaat veel geleerds aan hem voorbij. Aart Leemhuis, de vertaler, die in 1994 de brieven van Schiller in vertaling uitgaf, heeft de vrijescholen opnieuw een grote dienst bewezen. Maar zijn woord vooraf van welgeteld één bladzijde schiet tekort als inleiding. Dat is jammer, want het leespubliek zal er waarschijnlijk beperkt door blijven.

Steiner mocht over de vrijescholen enkele keren spreken in Engeland, bijvoorbeeld in Oxford, waar hij in 1922 was uitgenodigd voor een congres. Deze tien voordrachten hebben altijd een bijzondere status gekend, die wellicht valt te verklaren uit de toon – zo opvallend licht en sprankelend -  die Steiner in Engeland bezigt. De cursus in Basel bijvoorbeeld (veertien voordrachten uit 1920) is evengoed inspirerend, maar lijkt voorgoed in de vergetelheid geraakt. Nu is er voor het eerst een vertaling verschenen van de Ilkley-cursus uit 1923, met een nawoord van Christof Wiechert (1945), die de pedagogische sectie leidt aan het Goetheanum. Wiechert doet iets opmerkelijks: hij legt de ideeën van Steiner uit de vorige eeuw naast de huidige wetenschappelijke inzichten, om aan te tonen hoe groot de betekenis van de vrijeschoolpedagogie is. Het belang van nabootsing, beweging, kunst en salutogenese in het onderwijs onderbouwt Wiechert aan de hand van inzichten uit de neurowetenschappen. Opmerkelijk, omdat tot voor kort de autoriteit van Steiner onbetwistbaar leek (en dus ook niet toegelicht hoefde te worden). Van meet af aan is de wetenschap wat lacherig behandeld door vrijeschoolpedagogen, Max Stibbe voorop. Nu leeft kennelijk in antroposofische kringen de overtuiging om de vrijeschoolpedagogie te funderen aan de hand van recente wetenschappelijke ontdekkingen.

Naast bewondering om de grote kennis van Wiechert roept deze benadering ook vragen op: zolang antroposofen niet meedoen aan het wetenschappelijk discours, wordt hiermee vooral de eigen kring gerustgesteld. In Nederland is psychologe Martine Delfos een bekend wetenschapper die veel publiceert over onderwijs. In haar studie ‘Ontwikkeling in vogelvlucht’ (2005) komen de vrijescholen er opnieuw heel bekaaid vanaf. Waarom? Delfos: “Toch blijven Steiners ideeën beperkt tot één specifieke kring. Een mogelijke oorzaak is dat de antroposofie zich tot voor kort niet openstelde voor de gangbare wetenschappelijke onderzoeksmethoden.” Zorgt Wiechert hier voor een kentering? Zal er opnieuw een proefschrift over de vrijeschoolpedagogie verschijnen, inspirerend en overtuigend geschreven?


Ilse Staedke   ‘Schiller en de Vrijeschoolpedagogie’. Driebergen, Vereniging van Vrije Opvoedkunst, 2007.

Rudolf Steiner   ‘Opvoeding en moderne kultuur’ Amsterdam, Pentagon, 2008.