Rudolf Steiner zei op 16 augustus 1922  in een pedagogische voordracht te Oxford het volgende: “De vrije school moet geen school zijn, maar een vooropleiding, zoals elke school een vooropleiding zou moeten zijn voor de grote school, die het leven zelf voor de mens is.”  Bij herlezing bleef mijn oog voor het eerst haken aan deze uitspraak. Ik liep er dagenlang mee rond en realiseerde me opeens dat het een verwijzing inhield naar de beroemde uitspraak van Seneca: “Non scholae set vitae discimus” (“Wij leren niet voor de school zelf, maar voor het leven.”) Was het niet de filosoof Herder die in een rede in 1800 ‘(‘Vitae, non scholae discendum’) deze uitspraak belichtte? Op dat moment begon het me te dagen en er opende zich een vergezicht.

Het is een ervaring die iedereen kent, die Steiner bestudeert. Je scant niet de tekst in trefwoorden, zoals je met de krant doet, maar je leest aandachtig in wat uit vier fasen blijkt te bestaan: je leest totdat je iets raakt, dat herkauw je, je vraagt je af waarom het jou raakt, en tenslotte vraag je je af hoe je daar vruchtbaar respons op kunt geven. Op die wijze wordt de tekst getransformeerd en daarbij de lezer ook! We spreken dan van wat in de Benedictijnse traditie ‘lectio devina’ wordt genoemd.

Over het lezen van de voordrachten van Steiner schreef Sam (1960) een aantal artikelen die nu gebundeld zijn. Martina Maria Sam is euritmiste, uitgever van Steiners werk, redactrice van het weekblad ‘Das Goetheanum’ en ze schreef een doctoraalscriptie over de bordtekeningen van Steiner. Haar zeven artikelen tellen samen 165 voetnoten en van Steiner worden 56 titels genoemd. Voorwaar een serieuze studie, die de lezer ook veel te bieden heeft.

Als eerste krijgen de tegenstanders van Steiner het woord. Verschillende mensen – Paul Klee, Rainer Maria Rilke, Herman Hesse en ook enkele hedendaagse publicisten – vegen de vloer aan met de wijdlopige stijl van Steiners voordrachten. Vervolgens legt Sam uit waarom die spreekstijl zo uniek is. De taal is berekend op een zintuiglijke wereld en daar begon het gevecht van Steiner.

Vervolgens citeert Sam de woorden van Steiner waarin hij opmerkte dat hij bewust moeilijk sprak. Het leren begrijpen wordt dan een innerlijke oefening. (Waarmee gedoeld wordt op het transformatieproces van de lezer). Heel mooi is de manier waarop Sam dan wijst op de karakteristieke plaats van het werkwoord in de bijzinnen van Steiner. Hij haalt het werkwoord ongewoon maar doeltreffend naar voren. Sam concludeert daaruit dat Steiner zich bewust was van wat hij deed. Vanzelfsprekend. Maar is dat een afdoende antwoord aan de critici? Sam gaat daarna in op een heikel thema. Van Goethe nam Steiner de gewoonte over om niet te definiëren, maar te karakteriseren. Terecht wijst zij erop dat Steiner hiermee de academisch geschoolden tot wanhoop brengt. Ze gaat heel precies in op de wijze waarop Steiner vergelijkingen gebruikt, en nauwelijks metaforen. Hier geeft ze ook heel vruchtbaar respons.

Aan het slot citeert ze nogmaals bevestigend Steiner, die zijn eigen werk “partituren” noemt. Maar in mijn ogen is dat standpunt veel te passief! Elke voordracht is een oproep zelf respons te geven in je eigen context en reikt daarmee veel verder dan het lezen van een partituur. (Die omvat niet meer dan de eerste twee fasen van de ‘lectio divina’).

Het is opmerkelijk dat er geen woord van kritiek valt. Steiners stoplappen en wijdlopigheid en de talloze overlappingen – het wordt allemaal als geniaal bestempeld.

Sam heeft gelijk dat de voordrachten niet zijn bedoeld om te worden aangepast door een willekeurige vrije schoolmoeder. (De innerlijke transformatie van de lezer zou er inderdaad door verloren gaan).

Maar dat geldt voor de individuele lezer. Sam rept met geen woord over de werkgebieden. Op vrije scholen zijn de pedagogische voordrachten een onbekend hooggebergte geworden. Je kunt wel blijven roepen dat je zelf moet klimmen en je blijven keren tegen het kabelbaantje ernaar toe, maar het gevolg is wel dat men langzaam van het hooggebergte aan het vervreemden is. In die zin is het boek van Sam een preek voor eigen parochie en mist het helaas elke maatschappelijke relevantie.


Martina Maria Sam   ‘De woordkunst van Rudolf Steiner’. Zeist, Christofoor.



Aandacht is een centraal woord in de spirituele ontwikkelingsweg die Rudolf Steiner heeft beschreven. Hij zei erover, in het standaardwerk ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’: “Wie een geestelijke scholingsweg betreedt, moet tot aandacht in staat zijn, want een mens moet leren wat hij nog niet weet. Hij moet aandachtig gadeslaan wat zich openbaart.” Aandacht, aldus Steiner, is een van de grondgevoelens die van de leerling op weg wordt gevraagd.

De filosoof Cornelis Verhoeven schreef ooit een mooie verhandeling over aandacht. Hij noemt aandacht het toespitsen van de blik. Maar, aldus Verhoeven, je richt je dan niet op iets wat de aandacht trekt, je zorgt vooral dat je ruimte maakt voor wat aandacht verdient. Hij wijst dan op het Duitse woord ‘Andacht’, dat ook vroomheid betekent.

Een meester van die toegewijde aandacht is de schrijver K. Schippers. In zijn nieuwste bundel beschrijft hij bijvoorbeeld het verblijf in Brussel in het gezelschap van zijn dochter. In de derde alinea van de beschouwing lezen we: “Ik ging als eerste overmoedig naar beneden.” Hij is dus nog thuis. Hij gaat de trap af. Tja. Wat is daarvan het belang? Willen we dat lezen? Brussel is de stad waar Conrad Busken Huet zich optimistisch bewoog, waar Eduard Douwes Dekker op het zolderkamertje ‘Au Prince Belge’ zijn ‘Max Havelaar’ schreef, waar W.F. Hermans zijn laatste jaren doorbracht, waar Benno Barnard woonde, als Hollands dichter… Maar er wordt geen grootse pelgrimage gemaakt. De schrijver daalt de trap af. Dat is alles! Waarom staat er vervolgens dat hij dat “overmoedig” doet? Is zelfs die handeling vermetel en roekeloos te noemen? We zijn als lezer nu op onze hoede. De verteller neemt de bocht van de trap en ziet de krant liggen. Wil hij het nieuws kennen? Pakt hij de krant op of niet? Er staat: “En ik deed weer een stap terug om dat ogenblik waarop iedere reis begint te verlengen, om van die paar seconden een minuut te maken.” Wat een toewijding aan het moment. Hier stolt een argeloze handeling. Niet het doel, maar de weg ernaar toe krijgt alle aandacht. Dan moet er dus iets worden geboren… Dat gebeurt dan ook. De krant wordt gepakt. Zonder te vermelden wat er gelezen wordt, staat er:  “Toen ik het las dacht ik: van nu af aan sta ik er alleen voor.” Wat is er gebeurd in die fractie van een seconde? Nu is ook de lezer vol toegewijde aandacht. Wat blijkt? Het gaat om een overlijdensbericht. De man die hij zo bewonderde, Jacques Tati, is overleden. Vervolgens blijkt heel subtiel, hoe dit bericht het gehele bezoek aan Brussel kleurt en betekenis geeft.

Ruimte maken voor wat aandacht verdient, heeft alles te maken met een houding. Een open houding waar je voortdurend ontvankelijk bent. Neem bijvoorbeeld zijn bezoek aan de schilder Willem van Althuis (van wie ook enkele reproducties in de bundel zijn opgenomen). Zo beschrijft Schippers wat hij ziet bij de ontmoeting: “Donkere ogen, in zijn blik de grootste aandacht, vermengd met een lik argwaan.” De schilder weigert te spreken in de televisiedocumentaire die van hem gemaakt wordt. Woorden, lijkt de schilder te willen zeggen, leiden de aandacht maar af van wat er echt toe doet: de doeken. Het idee charmeert Schippers. Wie zo op aandacht is gespitst als Schippers, doet bijzondere ontdekkingen. Zo wordt een studie beschreven van Johannes Schepens (1741-1810), die veertig jaar lang ononderbroken aan de bestudering van de honingbij heeft gewerkt. Zoveel toewijding verovert het hart van Schippers, en de lezer.

“Alles wat je om je heen ziet is gekleurd” – zo luidt een ultra kort gedicht van zijn hand uit de jaren ’60. Al een oeuvre lang praktiseert Schippers deze kijk vol opperste aandacht op de werkelijkheid en die attitude maakt zijn boeken al veertig jaar tot ongelofelijk avontuurlijke lectuur. Je leest bij hem vaak over wat je al wist, en telkens kijk je nooit meer hetzelfde naar de zaak waarover je bij hem hebt gelezen..

Cornelis Verhoeven besluit zijn beschouwing over aandacht met de woorden: “De werkelijkheid ontleent een groot deel van haar betekenis hieraan dat zij voorwerp van geconcentreerde en toegewijde aandacht is.” Het had het motto van deze prachtbundel kunnen zijn.



K. Schippers   ‘Stil maar’. Amsterdam, Querido, 2007. Prijs: 18, 95 euro





In zijn voordrachten sprak Rudolf Steiner  aan het begin van de twintigste eeuw vaak zijn verbazing uit over het feit dat de meeste mensen wel intensief gebruik maakten van bijvoorbeeld een tram als vervoermiddel, maar geen enkel idee meer hadden hoe zo´n tram nu eigenlijk werkte. Hij vond dat zorgwekkend, omdat het vervreemding in de hand werkte. De mens leek losgezongen van de omgeving waarin hij leefde. Steiner vond dat een zorgelijke ontwikkeling en riep de mensen op zich bewust te worden van de wereld die hen omringde.

De filosoof Alain de Botton kaart hetzelfde probleem aan in zijn boeiende boek ´Ode aan de arbeid´. De burger doet overdag boodschappen in de supermarkt bij hem om de hoek, graait een lekker stukje tonijn uit de schappen en verorbert het bij de avondmaaltijd. Een volstrekt alledaagse handeling. Maar, vraagt Alain de Botton zich af, hebben we enig idee wat er allemaal aan voorafgaat, voordat die tonijn ons smakelijk zo toelacht? Alain de Botton neemt zich voor het proces te beschrijven dat tot zo’n supermarktproduct leidt, maar al snel wordt duidelijk dat niemand hem helpen wil.

Alain de Botton: “ Pogingen om na te gaan hoe warmwatervissen bij ons op tafel belanden, stuiten in de sector algauw op dezelfde achterdocht als die waarmee rond 1780 moet zijn gereageerd op navraag naar de slavenhandel.”  Uit de geciteerde woorden blijkt, dat de schrijver een geboren stilist is, die voortdurend bewondering afdwingt voor zijn sprankelende proza. De filosoof besluit dat er niets anders op zit dan zelf naar de Indische Oceaan te vertrekken. Misschien vindt hij daar een aanknopingspunt. Eenmaal op de Malediven doet hij vijf dagen tevergeefs onderzoek. Maar als hij bij de kapper zit, blijkt die over goede connecties te beschikken, en hij komt bij de minister zelf terecht en die geeft hem het adres van een tonijnexporteur. Een vliegtuig brengt hem bij een koraaleiland, maar de vissers hebben een defecte motor. De dagen verstrijken in een verzengende hitte. Eindelijk vertrekt de boot. Na urenlang dwalen  nadert er een school geelvintonijnen. Een vis hapt in de makreel die als aas was uitgegooid. Vijftig kilo wordt aan boord gehesen, een visser houdt hem onder zijn rubberlaarzen en begint, “ de hel breekt los” , als een razende met een grote hamer op de tonijn in te slaan, hem schoon te maken en in de koelruimte op te slaan. Er volgen nog twintig tonijnen. De boot arriveert bij de visverwerkingsfabriek, drie minuten later zijn ze gefileerd en verschijnen de fel oranje etiketten, bekend vanuit de supermarkt. De Airbus vliegt naar Heathrow, twee uur later ligt de tonijn in de overslagloods, een trucker rijdt die nacht naar de supermarkten. Tweeenvijftig uur nadat de tonijn uit de zee is opgediept, wordt hij in de schappen gelegd!

Het is een ronduit schokkend essay. Op eenzelfde manier benadert Alain de Botton de manier waarop koekjes worden geproduceerd. Het realistische verhaal tart de verbeelding. Er ligt een keiharde wereld van big business achter het onschuldige koekje dat ons bij de koffie het leven even verlicht. Alain de Botton werpt deze vraag op: “Wanneer hebben we het gevoel dat een baan zinvol is?” Vijfduizend man zijn in een fabriek ergens in België  bezig met het bereiden van koekjes. Elfhonderd koekjes rollen er per minuut van de lopende band. Een mixer kneedt zesduizend ton deeg en een gevaarte daarnaast zet vijfendertigduizend felgekleurde doosjes per uur in elkaar. De voorstelling gaat zijn bevattingsvermogen te boven.

Wat doet een manager eigenlijk, in de grote wereld van de accountancy, waar onze verzekeringen worden geregeld?  Alain de Botton volgt wekenlang een medewerker op de voet. Opnieuw neemt hij ons mee in een onbekende wereld, waar managers zestig uur per week werken als een anoniem  radertje in een keiharde wereld van afgewongen succes. Alain de Botton analyseert messcherp de werkomgeving, maar toont mededogen als hij zijn vermoeide manager weer met de metro aan het einde van de werkdag terug laat keren naar zijn slaapdorp buiten Londen: “De enige zinnige oplossing voor deze specifieke combinatie van vermoeidheid en nerveuze energie is wijn. Niemand zou de kantoorbeschaving overleven zonder het onstuimige opstijgen en landen met behulp van koffie en alcohol.”

Een adembenemend boek, waarvan de Engelse titel, ‘The pleasures and Sorrows of work’,  meer recht doet aan de inhoud, dat de vertaling ervan.



Alain de Botton
´Ode aan de Arbeid´. Amsterdam, Atlas, 2009.

Wat maakt de vrijeschool anders dan de gewone school om de hoek? Over de eigen plaats en rol in de omringende wereld wordt in vrijeschoolkringen tegenwoordig druk gesproken. Onlangs is er in conceptvorm een stuk verschenen over de identiteit, in opdracht van de Vereniging van vrijescholen. Hierin staat te lezen dat een echte vrijeschool bijvoorbeeld voldoet aan zes kernwaarden, waaronder authenticiteit en ontwikkeling. Daarnaast waren er op de jaarlijkse Michaëlsconferentie in Nijmegen twee gastsprekers uit universitaire kringen. Een prima initiatief, maar  hoogleraar Koops uit Utrecht bekritiseerde fel het Duitse idealisme en de fasentheorie van de bioloog Haeckel en merkte fijntjes op dat we met zijn allen na de tweede wereldoorlog gelukkig zo verstandig waren geworden, die dwaze ideeën achter ons te laten… Hij is zo slecht thuis in de ideeen van Steiner dat hij niet doorhad daarmee ook de basis van de vrijeschoolpedagogie met een bruusk gebaar van tafel te vegen. We zoeken op de tast in donkere tijden naar een kennelijk moeilijk te grijpen identiteit. Kan de wetenschap voor de vrijeschoolbeweging iets betekenen?

In 1929 verscheen er in Duitsland een proefschrift over de vrijeschoolpedagogie. De studie van Ilse Staedke gaat in op de ‘Brieven over de esthetische opvoeding van de mens’ van Schiller, die in vrije schoolkringen een grote reputatie hebben, maar nog zelden worden gelezen. Staedke laat zien hoezeer de ideeën van Steiner wortelen in de filosofische visie van Schiller. In een kort maar leerzaam overzicht plaatst Staedke Steiner in de traditie van Comenius en Pestalozzi, Goethe en Schiller. Met als tegenpolen pedagogen als Rousseau en Herbart. Vervolgens worden de grondbegrippen uitgelegd van de esthetische opvoeding bij Schiller en die worden gekoppeld aan de driegelding van het menselijk organisme. Aan de hand van concrete voorbeelden uit het leerplan wordt deze theorie concreet toegelicht. De studie is kort en nogal weerbarstig. De lezer zal thuis moeten zijn in Schiller en Steiner, anders gaat veel geleerds aan hem voorbij. Aart Leemhuis, de vertaler, die in 1994 de brieven van Schiller in vertaling uitgaf, heeft de vrijescholen opnieuw een grote dienst bewezen. Maar zijn woord vooraf van welgeteld één bladzijde schiet tekort als inleiding. Dat is jammer, want het leespubliek zal er waarschijnlijk beperkt door blijven.

Steiner mocht over de vrijescholen enkele keren spreken in Engeland, bijvoorbeeld in Oxford, waar hij in 1922 was uitgenodigd voor een congres. Deze tien voordrachten hebben altijd een bijzondere status gekend, die wellicht valt te verklaren uit de toon – zo opvallend licht en sprankelend -  die Steiner in Engeland bezigt. De cursus in Basel bijvoorbeeld (veertien voordrachten uit 1920) is evengoed inspirerend, maar lijkt voorgoed in de vergetelheid geraakt. Nu is er voor het eerst een vertaling verschenen van de Ilkley-cursus uit 1923, met een nawoord van Christof Wiechert (1945), die de pedagogische sectie leidt aan het Goetheanum. Wiechert doet iets opmerkelijks: hij legt de ideeën van Steiner uit de vorige eeuw naast de huidige wetenschappelijke inzichten, om aan te tonen hoe groot de betekenis van de vrijeschoolpedagogie is. Het belang van nabootsing, beweging, kunst en salutogenese in het onderwijs onderbouwt Wiechert aan de hand van inzichten uit de neurowetenschappen. Opmerkelijk, omdat tot voor kort de autoriteit van Steiner onbetwistbaar leek (en dus ook niet toegelicht hoefde te worden). Van meet af aan is de wetenschap wat lacherig behandeld door vrijeschoolpedagogen, Max Stibbe voorop. Nu leeft kennelijk in antroposofische kringen de overtuiging om de vrijeschoolpedagogie te funderen aan de hand van recente wetenschappelijke ontdekkingen.

Naast bewondering om de grote kennis van Wiechert roept deze benadering ook vragen op: zolang antroposofen niet meedoen aan het wetenschappelijk discours, wordt hiermee vooral de eigen kring gerustgesteld. In Nederland is psychologe Martine Delfos een bekend wetenschapper die veel publiceert over onderwijs. In haar studie ‘Ontwikkeling in vogelvlucht’ (2005) komen de vrijescholen er opnieuw heel bekaaid vanaf. Waarom? Delfos: “Toch blijven Steiners ideeën beperkt tot één specifieke kring. Een mogelijke oorzaak is dat de antroposofie zich tot voor kort niet openstelde voor de gangbare wetenschappelijke onderzoeksmethoden.” Zorgt Wiechert hier voor een kentering? Zal er opnieuw een proefschrift over de vrijeschoolpedagogie verschijnen, inspirerend en overtuigend geschreven?


Ilse Staedke   ‘Schiller en de Vrijeschoolpedagogie’. Driebergen, Vereniging van Vrije Opvoedkunst, 2007.

Rudolf Steiner   ‘Opvoeding en moderne kultuur’ Amsterdam, Pentagon, 2008.