De meisjeskamer


Hoe het ruikt naar lippenrood,

poederkwast. Latere handen

ten voorbeeld streelt de borstel

met stomheid het haar.

Zij is een acrobaat, hoog in

de lucht doet zij kunsten

aan de trapeze. Vijftien jaar.

Zij ademt vluchtig, houdt

zich nauwelijks vast. Negeert

in vervoering elk gevaar.

Wij zijn het vangzeil waar

zij zich soms achterover

in laat vallen. Wij wiegen

haar als toen, ontwricht

als zij weer opveert en ons

achterlaat. Het plotseling

ontbreken van gewicht.

Vergeefse spanning in mijn armen,

verbazing om het zelfvertrouwen,

het geluk op haar gezicht


Anna Enquist



Het lijkt wel alsof de ontwikkeling van een kind vaak sneller plaatsvindt dan de ouder beseft. Opeens blijkt je spelende dochter een echt meisje van vijftien te zijn, dat haar lippen stift en rouge op haar wangen doet. De eerste regel van het gedicht valt dan ook met de deur in huis. Alsof de moeder tegen haar echtgenoot vol verbazing uitroept, nadat ze in de kamer van hun kind is geweest: “Hoe het ruikt naar…”


Er vindt een heroriëntatie plaats. Waarmee valt haar manier van leven nu te vergelijken? De dochter is als een acrobaat en zonder angst – “houdt zich nauwelijks vast” – beweegt zij zich in de lucht. Vol gevaar, maar er is een “vangzeil”. Als het mis dreigt te lopen, staan de ouders altijd voor haar klaar. Als de baby die ze ooit was, zo wordt ze dan weer gewiegd. Niet voor lang. Want ze veert al weer op, op zoek naar het volgende avontuur.


De ouders voelen zich daarna “ontwricht”, niet door de plotselinge klap van het gewicht dat ze plots moesten opvangen, zoals je dan je pols kunt ontwrichten, maar ze zijn uit hun doen door het “plotseling ontbreken van gewicht”, want ze staan met lege handen, ze blijken niet meer nodig.


Uit het hersenonderzoek, dat de laatste jaren steeds meer aan populariteit en gezag wint, blijkt, dat de hersenen bij pubers nog lang niet zijn uitgegroeid, zoals lang is gedacht. Eveline Crone heeft als wetenschapper bijvoorbeeld aangetoond dat als een puber een keuze moet maken tussen lekker spannend of braaf verstandig wezen, het vooruitzicht op de kick het meestal wint.


Denken pubers dan niet na? Ze denken wel, maar hun impulsen kunnen ze nog niet goed controleren. Want, aldus Crone: “als pubers wordt gevraagd hoe zij over gevaarlijke situaties denken, blijkt dat zij niet meteen het waarschuwingsgevoel ervaren dat volwassenen wel kennen.” Dat waarschuwingsgevoel rijpt pas met de jaren.


Zoals de dichteres zegt over haar dochter die capriolen uithaalt aan de trapeze, zij: “Negeert in de vervoering elk gevaar.” Dat er sprake is van een vluchtige ademhaling, maakt wel duidelijk, dat er sprake is van een kick. Ontmoet zij jongens in het uitgaansleven? Het rood op de lippen en de rouge op de wangen lijken daarop te wijzen. Zijn ze ouder dan haar? Wordt ze verleid? Op wel moment gaat intimiteit over in sexualiteit? Bewaakt ze wel haar eigen grenzen?  Gebruikt ze in dat uitgaanscircuit misschien drugs?


Het is moeilijk om als ouder passief toe te moeten kijken. Toch helpen verboden niet meer. De opgroeiende puber leert van het leven en niet van de ouder. Alleen de eigen ervaring doet er toe. De puberteit is de fase van het experiment. De autoritaire ouder die zaken dwingend verbiedt, roept terecht weerstand op, ook als hij het beste met zijn kind voorheeft.


De ouders in het gedicht laten hun dochter los, maar blijven voor haar klaar staan, want houden het vangzeil vast, de moeder met “spanning in mijn armen”. Hetgeen ook zeggen wil: ze kijken oplettend toe, volgen met hun ogen het springerige leven buiten hun bereik. Ze wenden zich dus niet af, ze lopen er niet voor weg, hoe weinig ze er als ouder ook nog aan te pas komen, ze blijven er voor hun dochter, wat ze ook uithaalt.


De afstand wordt groter en tenslotte definitief. Want je ervaart, dat je eigen dochter je tenslotte “achterlaat”, met lege handen. Ondanks de pijn die de moeder voelt hierover, kijkt ze toch met bewondering naar de manier waarop haar dochter het leven in buitelt:

“verbazing om het zelfvertrouwen, geluk op haar gezicht.”

 

 

Voor Anne Frank

in die kleine catacombe
hoog op zolder aan de gracht
met nog net dat ene raam
waarin je de ster nog zag
die je al in je droeg

Bert Schierbeek





Wie op een vrije school werkt, in het voortgezet onderwijs, heeft met pubers te maken, meer dan met boeken. Hoewel de leerstof centraal lijkt te staan op de vrije school, kan zonder een vaardige benadering van de puber die leerstof niets teweegbrengen.

“Het enige dat nodig is,” zei Rudolf Steiner hierover in een van zijn pedagogisch voordrachten, “is dat we een goed idee hebben van wat iedere leeftijdsfase specifiek van ons vraagt.”

De vraag wat een puber nodig heeft, is echter niet een twee drie te beantwoorden. De vrije schoolleraar Hugo Pronk heeft voor de puber eens het beeld gebruikt van een straat die is opgebroken. Opeens staan er dan borden, dwars over de weg: “verboden toegang – werk in uitvoering!” Wat er daar gebeurt, blijft gissen.

Hoe kan een leraar er dan achter komen, wat deze fase van hem vraagt, als hij zo duidelijk op afstand wordt gehouden? Het dagboek van Anne Frank biedt mogelijk een ingang.


Het dagboek


De puberteit is voor de meeste kinderen een heftige fase, waarbij het bijhouden van een dagboek vaak een hulp is. Psychiater en antroposoof Lievegoed merkt daarover op: “Het dagboek is een begeleider van de puberteit. Het is een uitlaatklep voor de eigen wanhoop; het is de onzichtbare vriend, die niet tegenspreekt en slechts geduldig luistert. Het is een plaatsvervanger van de werkelijke vriend.” Als Anne Frank als puber van dertien haar dagboek begint, spreekt ze tot een denkbeeldige vriendin, die ze Kitty noemt.


Het willen begrijpen


Steiner is van mening dat kinderen lange tijd in voorstellingen leven en dat verandert rond het twaalfde levensjaar. Pas daarna kunnen we erop rekenen dat hij de samenhang tussen oorzaak en gevolg leert doorzien. Vanaf dat moment begint het kind eigenlijk pas gedachten te vormen. Er ontstaat een gevoel van causaliteit. De jongere wil niet alleen ervaren wat er is, maar ook begrijpen waarom dat zo is.

Het abstracte denken en het hypothetisch leren denken ontwikkelt zich, waardoor het perspectief van anderen kan worden ingenomen, die dan beter kunnen worden begrepen.

Piaget, de Zwitserse psycholoog, heeft naar de ontwikkeling van het denken veel onderzoek gedaan. Zijn bevindingen komen opvallend overeen met Steiners inzichten. Kinderen tot 12 jaar, zegt Piaget, denken nog op een concrete manier.

Ze kunnen wel conclusies trekken, maar alleen als het gaat om zaken uit de directe omgeving. Het bereik van het denken is betrekkelijk klein. In zijn fantasie knoopt hij dan op bij de concrete en zichtbare zaken.

Maar vanaf 12 jaar verandert dat. Het denken kan dan betrekking hebben op zaken die niet direct zichtbaar zijn. Ze gaan in het denken verder dan het hier en nu en kunnen ook over dingen nadenken die er niet zijn.

Deze verandering uit zich in een verandering van de belangstelling. Zelfreflectie wordt mogelijk. Een mooi voorbeeld hiervan beschrijft Anne Frank in haar dagboek, 22 januari 1944:


“Ik bekijk opeens alle discussies enz. Enz. Niet meer vanuit ons vooringenomen standpunt. Al onze opvoedingskwesties, de verwennerij, het eten, alles, alles, alles had een heel andere loop genomen als men open en vriendschappelijk was gebleven en niet steeds alleen de slechte kanten voor ogen had gehad.

Ik weet precies wat je zou zeggen, Kitty: ‘Maar Anne, komen deze woorden heus van jou? Van jou, die zoveel harde woorden van boven hebt moeten horen, van jou, die van al het onrecht weet, dat er gebeurd is!

En toch, het komt van mij. Ik wil opnieuw alles doorgronden. Tot nu toe dacht ik rotsvast dat alle schuld van de ruzies bij hen ligt, maar een groot deel lag zeker ook bij ons. Wij hadden wel gelijk wat de onderwerpen betreft, maar van verstandige mensen (waartoe wij ons rekenen!) verwacht men toch wat meer inzicht om andere mensen te behandelen. Ik hoop dat ik een tikkeltje van dat inzicht gekregen heb en de gelegenheid zal vinden het goed aan te wenden.”


Het biologisch domein


De rijping van het lichaam wordt voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door de hormonen. De woelige puberteit is zo bezien gebaseerd op biologische fenomenen. Bij meisjes zorgen de oestrogeenspiegels voor een wisselende stemming. IJkpunt voor het begin van de puberteit zijn fysiek gebeurtenissen, zoals  de eerste menstruatie bij het meisje.

Anne Frank noteert 6 januari 1944: “Telkens weer als ik ongesteld ben (en dat is nog maar drie keer gebeurd) heb ik het gevoel dat ik ondanks alle pijn, narigheid en viezigheid een zoet geheim met me meedraag en daarom, al heb ik er niets dan last van, verheug ik me in zekere zin altijd weer op de tijd dat weer dat geheim in me zal voelen.”


Eigen identiteit


De opbouw van een eigen identiteit is volgens Erikson de centrale ontwikkelingstaak van de puber. Karakteristiek hiervoor zijn het experimenteren en identificeren. Het is een soort proefperiode. Een belangrijk aspect is het leren vormgeven aan veranderende relaties binnen het gezin.  Anne Frank  richt zich vooral op haar moeder. Zij schrijft over die verhouding op 2 april 1943:


“Ach, ik heb weer iets verschrikkelijks op m’n zonden register staan. Gisteravond lag ik in bed en wachtte tot vader met me zou bidden en dan goedenacht zeggen, toen moeder de kamer binnenkwam, op m’n bed ging zitten en heel bescheiden vroeg: ‘Anne, pappie komt nog niet, zullen wij niets eens samen bidden?’

‘Nee, Mansa,’ antwoordde ik.

Moeder stond op, bleef naast m’n bed staan, liep dan langzaam naar de deur. Eensklaps draaide ze zich om en met een verwrongen gezicht zei ze: ‘Ik wil niet boos op je zijn. Liefde laat zich niet dwingen!’. Een paar tranen gleden over haar gezicht toen zij de deur uit ging.

Ik bleef stiliggen en vond het dadelijk gemeen van mezelf, dat ik haar zo ruw van me gestoten had, maar ik wist ook dat ik niet anders antwoorden kon. Ik kan niet zo huichelen en tegen m’n wil in met haar bidden. Het ging eenvoudigweg niet.”


Vrije tijd


Het zinvol invullen van vrije tijd is voor menig puber een lastige opgave. Verveling kan toeslaan, ook bij zo’n opgewekte natuur als Anne Frank, die op 20 juni 1942 schrijft:

“ ‘Papier is geduldiger dan mensen,’ dit gezegde schoot me te binnen toen ik op een van m’n licht-melancholische dagen verveeld met m’n hoofd op m’n handen zat en van lamlendigheid niet wist of ik uit moest gaan dan wel thuisblijven, en zo uiteindelijk op dezelfde plek bleef zitten piekeren.”


Sexualiteit


Sexualiteit is een gevoelig thema. Anne Frank, met betrekking tot haar ouders, op 24 januari 1944:


“In het begin van de schuiltijd vertelde vader dikwijls wat over dingen, die ik liever van moeder had gehoord en de rest kwam ik uit boeken of gesprekken wel te weten.”


Omgaan met autoriteit


Elke puber gaat een gevecht aan met de autoriteit. Anne Frank formuleert dat probleem glashelder, op 15 juli 1944:


“Hoe komt het nu, dat vader me in mijn strijd nooit tot steun is geweest, dat hij helemaal missloeg toen hij me de helpende hand wou bieden? Vader heeft de verkeerde middelen aangepakt, hij heeft altijd tot me gesproken als een kind, dat moeilijke kindertijden moest doormaken. Dat klinkt gek, want niemand dan vader heeft me steeds veel vertrouwen geschonken en niemand anders dan vader heeft me het gevoel gegeven, dat ik verstandig ben. Maar een ding heeft hij verwaarloosd: hij heeft er namelijk niet aan gedacht, dat mijn vechten om er bovenop te komen voor mij belangrijker was dan al het andere. Ik wou niets van ‘leeftijdverschijnselen’, ‘andere meisjes’, ‘gaat vanzelf over’ horen, ik wou niet als meisje-zoals-alle-anderen, maar als Anne-op-zichzelf behandeld worden.”


Een gerechtvaardigd verlangen. Maar kunnen we er als pedagoog ook naar handelen?


Een pedagogische levensles


Anne Frank worstelt om een eigen identiteit te vinden. Zelden is er een schrijver geweest, die deze problemen van de puberteit zo helder en zo authentiek heeft geformuleerd. Het antwoord op de vraag van Steiner, wat deze leeftijdsfase specifiek van ons vraagt, luidt dan ook: behandel elke puber in de klas als een persoon op zichzelf, en spreek nooit badinerend tegen de jongere, dat het de leeftijd is, dat het weer overgaat, dat iedereen het weleens moeilijk heeft. Anne Frank leert ons een pedagogische levensles. Meer dan welk wetenschappelijk werk ook, is haar dagboek een pedagogisch handboek, dat nog generaties zal meegaan, zo kernachtig zijn haar lessen voor ons, die in het onderwijs werkzaam zijn.





















NASCHOOLSE OPVANG


Ik praat, ik vraag.

Zij niet,

slungelt als een tulp

over de rand van een vaas.

Bloemen en theepot gapen.

Haar hoofd loodzwaar,

spakerige schouders, lege armen

languit op de tafel,

jonge borsten smiespelen

onderhuidse geheimen.

Ik moeder, ik ouder.

Zij dertien,

plukt met trage vingers

pluizen uit het tafelkleed,

ze heeft nog alle tijd.



Francie van den Hurk


(Uit: ‘Naastenparade’, 2002)


In het gedicht wordt de situatie beschreven van een puber die thuiskomt en met haar moeder een kopje theedrinkt. Het gesprek wil maar niet vlotten. De moeder praat en vraagt, maar het meisje van dertien zwijgt. Heel beeldend word haar lichaamshouding beschreven. Zoals tulpen met hun zwakke steel na enkele dagen over de rand van een vaas tot aan het tafelblad kunnen hangen, zo zit ze erbij. Zo groot is haar desinteresse, dat alles in haar omgeving lijkt te gapen van verveling. Haar lichaam is slungelig, met spakerige schouders en door de alliteratie (let op de herhaling van de ‘l’ in de regels: “lege armen languit op tafel”) klinkt de moedeloosheid slepend in de klanken van de raak gekozen woorden door.

Er schemert ook beschroomd de belofte van een avontuurlijke toekomst door, want “jonge borsten smiespelen onderhuidse geheimen”. Het woord “onderhuids” is mooi gekozen, want dubbelzinnig. Het verwijst letterlijk naar de huid van het jonge lijf, en in figuurlijke zin betekent het, dat alles onder de oppervlakte, dus nog niet zichtbaar is.

Het perspectief ligt bij de moeder, die een machteloze indruk maakt. Hoewel ze praat en vraagt, lijkt haar dochter meer aandacht te hebben voor het tafelkleed. Ze richt haar blik dus naar beneden en lijkt geen contact te maken. Tot in de titel klinkt de teleurstelling door: thuis met een kopje thee en de beste bedoelingen, lijkt de situatie nog het meest op een creche, waar kinderen door vreemden worden opgevangen.


“Hoe was het op school?” De vraag maakt geen gesprek meer los, als de puberteit is aangebroken. Wie met pubers een gesprek probeert aan te knopen, als ouder of leraar, weet hoe lastig dat is. Toch is het waar wat Martine Delfos, ontwikkelingspsychologe, in haar boeken vaak verkondigt: “Iedereen is in feite zijn of haar lievelingsverhaal.” Kortom: ook elke puber doet uiteindelijk niets liever dan praten over zichzelf. Maar, zegt Delfos, daarvoor moet een gesprek wel aan een aantal voorwaarden voldoen: het kind moet zich veilige voelen, dus gewaardeerd en je moet echt benieuwd zijn naar het verhaal. Stel dus geen vraag uit routine, terwijl je met je gedachten heel ergens anders bent. Pubers voelen dat haarfijn aan.

Delfos geeft nog een belangrijk advies: benoem ook je eigen beleving van het gesprek. Durf te zeggen hoe het voor jou voelt als ouder: communiceer over de communicatie. Je moet daarvoor wel een drempel over, want je onzekerheid tonen gaat niet vanzelf, maar de puber ervaart dan wel, dat hij gelijkwaardig is aan de ouder, hetgeen wonderen doet.

De moeder in het gedicht is echter opgesloten in haar eigen wereld. Ze kan haar dochter niet meer bereiken. Het gevoel van beklemming wordt met milde humor beschreven. Het maakt duidelijk waar we elke dag mee worstelen: hoe kom ik toch met mijn puber in gesprek?