Voor Anne Frank

in die kleine catacombe
hoog op zolder aan de gracht
met nog net dat ene raam
waarin je de ster nog zag
die je al in je droeg

Bert Schierbeek





Wie op een vrije school werkt, in het voortgezet onderwijs, heeft met pubers te maken, meer dan met boeken. Hoewel de leerstof centraal lijkt te staan op de vrije school, kan zonder een vaardige benadering van de puber die leerstof niets teweegbrengen.

“Het enige dat nodig is,” zei Rudolf Steiner hierover in een van zijn pedagogisch voordrachten, “is dat we een goed idee hebben van wat iedere leeftijdsfase specifiek van ons vraagt.”

De vraag wat een puber nodig heeft, is echter niet een twee drie te beantwoorden. De vrije schoolleraar Hugo Pronk heeft voor de puber eens het beeld gebruikt van een straat die is opgebroken. Opeens staan er dan borden, dwars over de weg: “verboden toegang – werk in uitvoering!” Wat er daar gebeurt, blijft gissen.

Hoe kan een leraar er dan achter komen, wat deze fase van hem vraagt, als hij zo duidelijk op afstand wordt gehouden? Het dagboek van Anne Frank biedt mogelijk een ingang.


Het dagboek


De puberteit is voor de meeste kinderen een heftige fase, waarbij het bijhouden van een dagboek vaak een hulp is. Psychiater en antroposoof Lievegoed merkt daarover op: “Het dagboek is een begeleider van de puberteit. Het is een uitlaatklep voor de eigen wanhoop; het is de onzichtbare vriend, die niet tegenspreekt en slechts geduldig luistert. Het is een plaatsvervanger van de werkelijke vriend.” Als Anne Frank als puber van dertien haar dagboek begint, spreekt ze tot een denkbeeldige vriendin, die ze Kitty noemt.


Het willen begrijpen


Steiner is van mening dat kinderen lange tijd in voorstellingen leven en dat verandert rond het twaalfde levensjaar. Pas daarna kunnen we erop rekenen dat hij de samenhang tussen oorzaak en gevolg leert doorzien. Vanaf dat moment begint het kind eigenlijk pas gedachten te vormen. Er ontstaat een gevoel van causaliteit. De jongere wil niet alleen ervaren wat er is, maar ook begrijpen waarom dat zo is.

Het abstracte denken en het hypothetisch leren denken ontwikkelt zich, waardoor het perspectief van anderen kan worden ingenomen, die dan beter kunnen worden begrepen.

Piaget, de Zwitserse psycholoog, heeft naar de ontwikkeling van het denken veel onderzoek gedaan. Zijn bevindingen komen opvallend overeen met Steiners inzichten. Kinderen tot 12 jaar, zegt Piaget, denken nog op een concrete manier.

Ze kunnen wel conclusies trekken, maar alleen als het gaat om zaken uit de directe omgeving. Het bereik van het denken is betrekkelijk klein. In zijn fantasie knoopt hij dan op bij de concrete en zichtbare zaken.

Maar vanaf 12 jaar verandert dat. Het denken kan dan betrekking hebben op zaken die niet direct zichtbaar zijn. Ze gaan in het denken verder dan het hier en nu en kunnen ook over dingen nadenken die er niet zijn.

Deze verandering uit zich in een verandering van de belangstelling. Zelfreflectie wordt mogelijk. Een mooi voorbeeld hiervan beschrijft Anne Frank in haar dagboek, 22 januari 1944:


“Ik bekijk opeens alle discussies enz. Enz. Niet meer vanuit ons vooringenomen standpunt. Al onze opvoedingskwesties, de verwennerij, het eten, alles, alles, alles had een heel andere loop genomen als men open en vriendschappelijk was gebleven en niet steeds alleen de slechte kanten voor ogen had gehad.

Ik weet precies wat je zou zeggen, Kitty: ‘Maar Anne, komen deze woorden heus van jou? Van jou, die zoveel harde woorden van boven hebt moeten horen, van jou, die van al het onrecht weet, dat er gebeurd is!

En toch, het komt van mij. Ik wil opnieuw alles doorgronden. Tot nu toe dacht ik rotsvast dat alle schuld van de ruzies bij hen ligt, maar een groot deel lag zeker ook bij ons. Wij hadden wel gelijk wat de onderwerpen betreft, maar van verstandige mensen (waartoe wij ons rekenen!) verwacht men toch wat meer inzicht om andere mensen te behandelen. Ik hoop dat ik een tikkeltje van dat inzicht gekregen heb en de gelegenheid zal vinden het goed aan te wenden.”


Het biologisch domein


De rijping van het lichaam wordt voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door de hormonen. De woelige puberteit is zo bezien gebaseerd op biologische fenomenen. Bij meisjes zorgen de oestrogeenspiegels voor een wisselende stemming. IJkpunt voor het begin van de puberteit zijn fysiek gebeurtenissen, zoals  de eerste menstruatie bij het meisje.

Anne Frank noteert 6 januari 1944: “Telkens weer als ik ongesteld ben (en dat is nog maar drie keer gebeurd) heb ik het gevoel dat ik ondanks alle pijn, narigheid en viezigheid een zoet geheim met me meedraag en daarom, al heb ik er niets dan last van, verheug ik me in zekere zin altijd weer op de tijd dat weer dat geheim in me zal voelen.”


Eigen identiteit


De opbouw van een eigen identiteit is volgens Erikson de centrale ontwikkelingstaak van de puber. Karakteristiek hiervoor zijn het experimenteren en identificeren. Het is een soort proefperiode. Een belangrijk aspect is het leren vormgeven aan veranderende relaties binnen het gezin.  Anne Frank  richt zich vooral op haar moeder. Zij schrijft over die verhouding op 2 april 1943:


“Ach, ik heb weer iets verschrikkelijks op m’n zonden register staan. Gisteravond lag ik in bed en wachtte tot vader met me zou bidden en dan goedenacht zeggen, toen moeder de kamer binnenkwam, op m’n bed ging zitten en heel bescheiden vroeg: ‘Anne, pappie komt nog niet, zullen wij niets eens samen bidden?’

‘Nee, Mansa,’ antwoordde ik.

Moeder stond op, bleef naast m’n bed staan, liep dan langzaam naar de deur. Eensklaps draaide ze zich om en met een verwrongen gezicht zei ze: ‘Ik wil niet boos op je zijn. Liefde laat zich niet dwingen!’. Een paar tranen gleden over haar gezicht toen zij de deur uit ging.

Ik bleef stiliggen en vond het dadelijk gemeen van mezelf, dat ik haar zo ruw van me gestoten had, maar ik wist ook dat ik niet anders antwoorden kon. Ik kan niet zo huichelen en tegen m’n wil in met haar bidden. Het ging eenvoudigweg niet.”


Vrije tijd


Het zinvol invullen van vrije tijd is voor menig puber een lastige opgave. Verveling kan toeslaan, ook bij zo’n opgewekte natuur als Anne Frank, die op 20 juni 1942 schrijft:

“ ‘Papier is geduldiger dan mensen,’ dit gezegde schoot me te binnen toen ik op een van m’n licht-melancholische dagen verveeld met m’n hoofd op m’n handen zat en van lamlendigheid niet wist of ik uit moest gaan dan wel thuisblijven, en zo uiteindelijk op dezelfde plek bleef zitten piekeren.”


Sexualiteit


Sexualiteit is een gevoelig thema. Anne Frank, met betrekking tot haar ouders, op 24 januari 1944:


“In het begin van de schuiltijd vertelde vader dikwijls wat over dingen, die ik liever van moeder had gehoord en de rest kwam ik uit boeken of gesprekken wel te weten.”


Omgaan met autoriteit


Elke puber gaat een gevecht aan met de autoriteit. Anne Frank formuleert dat probleem glashelder, op 15 juli 1944:


“Hoe komt het nu, dat vader me in mijn strijd nooit tot steun is geweest, dat hij helemaal missloeg toen hij me de helpende hand wou bieden? Vader heeft de verkeerde middelen aangepakt, hij heeft altijd tot me gesproken als een kind, dat moeilijke kindertijden moest doormaken. Dat klinkt gek, want niemand dan vader heeft me steeds veel vertrouwen geschonken en niemand anders dan vader heeft me het gevoel gegeven, dat ik verstandig ben. Maar een ding heeft hij verwaarloosd: hij heeft er namelijk niet aan gedacht, dat mijn vechten om er bovenop te komen voor mij belangrijker was dan al het andere. Ik wou niets van ‘leeftijdverschijnselen’, ‘andere meisjes’, ‘gaat vanzelf over’ horen, ik wou niet als meisje-zoals-alle-anderen, maar als Anne-op-zichzelf behandeld worden.”


Een gerechtvaardigd verlangen. Maar kunnen we er als pedagoog ook naar handelen?


Een pedagogische levensles


Anne Frank worstelt om een eigen identiteit te vinden. Zelden is er een schrijver geweest, die deze problemen van de puberteit zo helder en zo authentiek heeft geformuleerd. Het antwoord op de vraag van Steiner, wat deze leeftijdsfase specifiek van ons vraagt, luidt dan ook: behandel elke puber in de klas als een persoon op zichzelf, en spreek nooit badinerend tegen de jongere, dat het de leeftijd is, dat het weer overgaat, dat iedereen het weleens moeilijk heeft. Anne Frank leert ons een pedagogische levensles. Meer dan welk wetenschappelijk werk ook, is haar dagboek een pedagogisch handboek, dat nog generaties zal meegaan, zo kernachtig zijn haar lessen voor ons, die in het onderwijs werkzaam zijn.