“Op vrije scholen scoort kind laag.” Deze kop op de voorpagina van NRC-Handelsblad van vrijdag 27 februari 2009 blafte me toe. Regels van de dichter Remco Campert schoten me te binnen:

“maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen.”

Wat bleek uit het krantenbericht? In de eerste drie jaren van het voortgezet onderwijs scoren vrije schoolleerlingen voor de vakken Nederlands en rekenen beduidend lager dan de leerlingen uit het reguliere onderwijs.

Was die boude bewering wel steekhoudend? Het bleek om een proefschrift te gaan, waarin jarenlang onderzoek op wetenschappelijke wijze, dus verifieerbaar voor iedere onderzoeker, werd gepresenteerd. Hilde Steenbergen zou pas promoveren op 12 maart, maar de landelijke kwaliteitskrant nam alvast een voorschot.

De krant was ook zo attent om met een hyperlink te verwijzen naar het proefschrift, zodat al het materiaal was te downloaden, en ik heb buitengewoon geboeid een middag gebogen gezeten over de tweehonderd bladzijdes. Hilde Steenbergen stelt in de dissertatie ook de vraag of de vrijeschoolleerling een “ander soort” leerling is, dan de leerling uit het reguliere onderwijs.  Ze onderzocht alle leerlingen op vijf persoonlijkheidskenmerken: mildheid, ordelijkheid, extravert, emotioneel stabiel en autonoom. De uitkomst luidt: de vrijschoolleerling is mild, niet ordelijk, weinig extravert (waaronder bijvoorbeeld wordt verstaan: roept hij snel de hulp in van zijn leraar), emotioneel weinig stabiel en uitgesproken autonoom. De emotionele instabiliteit verbaasde me. Natuurlijk vallen de eerste jaren van het voortgezet onderwijs samen met het begin van de adolescentie, maar waarom zijn de vrijeschoolleerlingen dan, in vergelijking met de leerlingen uit het reguliere onderwijs, instabieler? In de zeer enerverende klassengesprekken die ik in verschillende klassen tijdens de les  Nederlands voerde over de onderzoeksresultaten, stak een eindexamenleerling direct haar vinger op. Zij wist het gegeven als volgt te verklaren: op een vrijeschool leer je als leerling te praten over wat je voelt en denkt, je beseft dat je iemand bent die nog in ontwikkeling is, dat je nog niet de zekerheid bezit die een volwassene als je eigen leraar al bezit, terwijl in het reguliere onderwijs de leerlingen veel meer in een keurslijf worden gepropt en gevoelens en gedachten amper of niet worden besproken!

Met name het feit dat de vrijeschoolleerling als autonoom wordt gekenmerkt, beschouw ik als een bijzonder compliment aan ons onderwijs. Steenbergen definieert autonoom in haar proefschrift als “betekenisvol leren”. Hetgeen betekent dat de vrijeschoolleerling daadwerkelijk ervaart, waar het gehele Nederlandse voortgezet onderwijs met het nieuwe leren naar verlangt: leren dat er toe doet, ook wel authentiek leren genoemd.

Uit de studie van Hilde Steenbergen blijkt ook nog, dat de vrijeschoolleerling in de eerste drie jaren steeds gemotiveerder raakt voor het leren, terwijl dat in het reguliere onderwijs juist afneemt. De manieren om te leren worden in het vrijeschoolonderwijs in de loop der jaren steeds vindingrijker, terwijl in het reguliere onderwijs die leerstrategieën juist in kwaliteit afnemen.  De band met de leraar wordt door de vrijeschoolleerling als positief ervaren, terwijl in het reguliere onderwijs de afstand tot de docent steeds groter wordt, hetgeen het leren negatief beïnvloedt. In haar slothoofdstuk merkt Steenbergen dan ook op, en het worden zonder twijfel gevleugelde woorden:

“ De slotconclusie die uit dit proefschrift kan worden getrokken is dat de reguliere school de school is waar je leert, terwijl de vrijeschool de school is waar je leert leren en wilt blijven leren.”

Hilde Steenbergen heeft geen onderzoek gedaan naar het waarom van al deze effecten. De vrijescholen zijn nu aan zet om te gaan ontdekken in de komende jaren, wat de oorzaken zijn van het succes en om bij te spijkeren waar de scholen te kort schieten.

Maar hoe zit dat dan met de conclusie, dat rekenen en Nederlands beneden de maat is, en dat het niveau niet meer in te halen valt, aldus Steenbergen? Op donderdag 12 maart zat ik in de aula van de universiteit van Groningen, waar de promotie plaatsvond. Acht hoogleraren namen drie kwartier de tijd om de studie kritisch tegen het licht te houden. Een professor in de sociologie met grote kennis van statistiek vertelde dat hij zeer nauwkeurig de tabellen had bekeken met betrekking tot de resultaten voor het vak rekenen. Welnu, merkte hij op, als de wegingsfactoren werden meegerekend, dan zag hij geen enkel verschil in niveau tussen beide groepen leerlingen. Steenbergen sprak echter van “significante” verschillen. Hoe kwam zij daarbij? De promovenda viel stil, begon hakkelend aan een antwoord, raakte de draad kwijt, vervolgens de vraag en toen die opnieuw streng werd  gesteld, gaf ze toe dat ze het niet kon verklaren. De hoogleraar vroeg toen of ze haar bewering moest intrekken. Ze antwoordde bevestigend. Er was geen aanwijzing voor haar conclusie… Er heerste een spanning in de aula die ons de adem benam. De volgende vraag, hoe zij dan voor het vak Nederlands kon verklaren dat… die vraag mocht zij van de rector magnificus naast zich neerleggen. De vragen erna moest ze ook onbeantwoord laten. De nederlaag was compleet. Maar omdat een promotie een formaliteit is, werden uiteindelijk de woorden “hora est” gesproken en de doctoraatsbul uitgereikt. De vrijescholen kunnen, na de eerste schrik,  gelukkig zijn met het proefschrift.  Maar tegelijkertijd zullen de negatieve resultaten te pas en te onpas jarenlang in de kranten verschijnen (“droog en zwart van koppen”), want de status van een proefschrift is onbetwist.

Wie de ontwikkelingen van de vrijescholen volgt, wordt niet alleen door de landelijke kranten op de hoogte gehouden over de prestaties van de vrijeschoolleerlingen, maar ook rellerig en uitvoerig geïnformeerd over de ruzies die er woeden in de vrijescholen basisonderwijs Geert Groote I en II te Amsterdam. De kranten “werpen dammen op en dwingen” de lezer tot de conclusie: de leerlingen presteren onder de maat en de besturen gaan elkaar te lijf, dus daar zal op al die vrijescholen wel veel mis zijn. Waar rook is, is vuur, nietwaar?

Het is niet eenvoudig om onbevangen te blijven kijken naar deze maatschappelijke signalen. Je kunt verbaasd zijn over de heftigheid waarmee het nieuws de wereld wordt ingeslingerd. Welke kans biedt ons deze crisis? Een mogelijk antwoord luidt, dat hier op straat wordt uitgevochten, wat in de lerarenkamer van de vrijescholen als strijd woedt: de spanning tussen traditie en de toekomst.

In het rapport ‘Vertrouwen in de school’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat onlangs is verschenen onder leiding van hoogleraar Winsemius staat deze kritische passage over scholen die aan de leraren een grote mate van vrijheid en autonomie toekennen (zonder daarbij te verwijzen naar de vrijescholen):

“Onbegrensde vrijheid komt misschien wel ten goede aan de arbeidssatisfactie van sommige leraren, maar niet noodzakelijkerwijs ook hun leerlingen. Meer autonomie voor de professionals is in veel gevallen terecht, maar kan zonder tegenkrachten ook ontaarden in professionele slonzigheid, verdediging van verouderde routines en schadelijke vormen van groepsdenken.”

Deze woorden vinden in mij veel weerklank. Ze roepen ook de woorden van Rudof Steiner in herinnering. In zijn befaamde ‘Jugendkurs’  benoemt Steiner de drie gevaren die elk  lerarencollege in de toekomst bedreigen: frase, conventie en routine (6 oktober 1922).

Elk vrijeschoolcollege zal een eigen antwoord moeten vinden op de spanningen die nu ontstaan tussen traditie en toekomst. Zijn er meer tegenkrachten nodig, zoals het WRR rapport suggereert, op de scholen zelf, en als die ontbreken, schrikken we dan wakker van de publiciteit?

Het heeft in mijn ogen weinig zin, om zelf ideologische dammen op te gaan werpen, om op die manier te proberen alles bij het oude te laten. Elke school is verankerd in de samenleving, waarvan de kranten de herauten zijn. De tonen zijn soms opzettelijk schril en vals, maar vallen niet te negeren. Vragen zijn gewekt:

worden verouderde routines verdedigd en zijn er schadelijke vormen van groepsdenken?






Het proefschrift van Hilde Steenbergen als PDF bestand is te vinden op:

http://www.nrc.nl/redactie/binnenland/Vrije%20en%20reguliere%20scholen%20vergeleken.pdf

De artikelen uit het NRC Handelsblad over de vrijeschool staan op:

http://www.nrc.nl/binnenland/



Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>