“Want”, zo sprak Rudolf Steiner in Stuttgart op 28 augustus 1919 bij de oprichting van de allereerste vrije school,  “U zult zich in de toekomst toch bezig moeten houden met hetgeen er op het gebied van pedagogie en psychologie gepubliceerd wordt – voor zover u daar de tijd en de rust voor heeft.”

In de stapel van publicaties die er de afgelopen maanden over het onderwijs is verschenen, valt Mirjam Schöttelndreier (‘Kan ik ook van mijn kind scheiden’) op door haar onderhoudende toon. Ze laat verschillende onderwijsmensen aan het woord die hun gal spuwen op het louter zelfstandig laten werken van de leerlingen, de vernieuwende didactiek die het studiehuis wordt genoemd. Hoe moet dat dan, zo luidt de kritiek, met het verhaal van de leraar?  In het boek van Corine Ex (‘Opvoeden, wat kun je?’) worden 18 mensen geïnterviewd vanuit verschillende disciplines. Zo worden wetenschappers aan een groter leespubliek gepresenteerd. Het gesprek met de ontwikkelingspsycholoog Willem Heuves valt op, door de warmte en het begrip waarmee hij over pubers praat.

Het meest spraakmakend is echter het boek van Ton van Haperen. Sinds 1985 is hij leraar economie en daarnaast leidt hij leraren op aan de lerarenopleiding van de universiteit in Leiden. Zijn boek vangt aan met de schets van het schrijnende probleem waarover de titel spreekt: er zijn bijna geen doctorandussen meer werkzaam in het voortgezet onderwijs, kinderen krijgen steeds vaker les van onbevoegden, de beste leraren staan niet meer voor de klas maar zitten in het management en van de beginnende leraren die enthousiast beginnen, wijkt al binnen vijf jaar een groot deel (veertig procent) uit naar het bedrijfsleven. Het Sociaal en Cultureel Planbureau wijst er vervolgens op dat een derde van de leraren in het voortgezet onderwijs vanaf 2007 met pensioen gaat. Kortom: een dramatisch scenario.

Van Haperen ziet een tragedie in drie bedrijven: de leraar en zijn salaris (er is teveel bezuinigd), de leraar en zijn werk in de klas (het onderwijs is verkwanseld door de vernieuwingen: basisvorming, studiehuis en vmbo) en de organisatie van de school (alles is op losse schroeven komen te staan). Op deze drie aspecten gaat Van Haperen uitgebreid in.  Hij presenteert de harde feiten en zet alles nog eens op een rijtje te zetten in een wat droge stijl, die hij echter weet te kruiden door waar gebeurde verhalen uit de praktijk van het onderwijs in te lassen. (“Elize begint in 2004 als lerares. Tijdens haar opleiding…”). Van Haperen kraakt de ontwikkelingen van de laatste decennia – en dat is volkomen terecht. Het is natuurlijk ook bekende kost. Wie de columns leest van Leo Prick (NRC-Handelsblad), komt weinig nieuws tegen. Het wordt boeiend als Van Haperen een oplossing aandraagt. Hij breekt een lans voor de leraar. Want die wordt in het huidige onderwijs als productiemedewerker gezien, en niet als kenniswerker. Hoe ontstaat die sterke, erudiete, eigentijdse leraar? Als antwoord citeert hij een hoogleraar innovatiemanagement, die stelt: “Voor leraren die zelf niet willen blijven leren, is in de moderne school geen plaats.” Dat is de spijker op de kop. Hoe die leraar daartoe komt, daarover – helaas – geen woord.

Tijd en rust zijn nodig, aldus Rudolf Steiner, om dit soort publicaties te bestuderen. Tijd hebben we wel, maar de rust steeds minder. Het is ook in mijn ogen van betekenis dat je als vrije schoolleerkracht weet hebt van de recente ontwikkelingen in het onderwijs. Maar het is temeer van belang voor de vrije schoolleraar, omdat alleen studie van de antroposofie de maatschappelijke werkelijkheid uit zicht doet verdwijnen. Studie van de literatuur over onderwijs uit het veld leert je als vrije schoolleraar kijken in de spiegel en reikt de woorden aan, waarin je kunt spreken met anderen zonder in antroposofisch jargon te vervallen.

Lievegoed heeft eens over de betekenis van de antroposofie gezegd: “Wij hebben de wereld van de ideeën die we leren kennen door de antroposofie te studeren. Wij hebben ook de wereld van de maatschappelijke werkelijkheid. Het grote probleem is hoe deze twee elkaar zullen ontmoeten.” Lievegoed signaleerde dat probleem in 1976 en zijn woorden zijn actueler dan ooit, gezien de noodsituatie waarin nogal wat vrije scholen verkeren.


Ton Van Haperen. ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>