In zijn voordrachten sprak Rudolf Steiner  aan het begin van de twintigste eeuw vaak zijn verbazing uit over het feit dat de meeste mensen wel intensief gebruik maakten van bijvoorbeeld een tram als vervoermiddel, maar geen enkel idee meer hadden hoe zo´n tram nu eigenlijk werkte. Hij vond dat zorgwekkend, omdat het vervreemding in de hand werkte. De mens leek losgezongen van de omgeving waarin hij leefde. Steiner vond dat een zorgelijke ontwikkeling en riep de mensen op zich bewust te worden van de wereld die hen omringde.

De filosoof Alain de Botton kaart hetzelfde probleem aan in zijn boeiende boek ´Ode aan de arbeid´. De burger doet overdag boodschappen in de supermarkt bij hem om de hoek, graait een lekker stukje tonijn uit de schappen en verorbert het bij de avondmaaltijd. Een volstrekt alledaagse handeling. Maar, vraagt Alain de Botton zich af, hebben we enig idee wat er allemaal aan voorafgaat, voordat die tonijn ons smakelijk zo toelacht? Alain de Botton neemt zich voor het proces te beschrijven dat tot zo’n supermarktproduct leidt, maar al snel wordt duidelijk dat niemand hem helpen wil.

Alain de Botton: “ Pogingen om na te gaan hoe warmwatervissen bij ons op tafel belanden, stuiten in de sector algauw op dezelfde achterdocht als die waarmee rond 1780 moet zijn gereageerd op navraag naar de slavenhandel.”  Uit de geciteerde woorden blijkt, dat de schrijver een geboren stilist is, die voortdurend bewondering afdwingt voor zijn sprankelende proza. De filosoof besluit dat er niets anders op zit dan zelf naar de Indische Oceaan te vertrekken. Misschien vindt hij daar een aanknopingspunt. Eenmaal op de Malediven doet hij vijf dagen tevergeefs onderzoek. Maar als hij bij de kapper zit, blijkt die over goede connecties te beschikken, en hij komt bij de minister zelf terecht en die geeft hem het adres van een tonijnexporteur. Een vliegtuig brengt hem bij een koraaleiland, maar de vissers hebben een defecte motor. De dagen verstrijken in een verzengende hitte. Eindelijk vertrekt de boot. Na urenlang dwalen  nadert er een school geelvintonijnen. Een vis hapt in de makreel die als aas was uitgegooid. Vijftig kilo wordt aan boord gehesen, een visser houdt hem onder zijn rubberlaarzen en begint, “ de hel breekt los” , als een razende met een grote hamer op de tonijn in te slaan, hem schoon te maken en in de koelruimte op te slaan. Er volgen nog twintig tonijnen. De boot arriveert bij de visverwerkingsfabriek, drie minuten later zijn ze gefileerd en verschijnen de fel oranje etiketten, bekend vanuit de supermarkt. De Airbus vliegt naar Heathrow, twee uur later ligt de tonijn in de overslagloods, een trucker rijdt die nacht naar de supermarkten. Tweeenvijftig uur nadat de tonijn uit de zee is opgediept, wordt hij in de schappen gelegd!

Het is een ronduit schokkend essay. Op eenzelfde manier benadert Alain de Botton de manier waarop koekjes worden geproduceerd. Het realistische verhaal tart de verbeelding. Er ligt een keiharde wereld van big business achter het onschuldige koekje dat ons bij de koffie het leven even verlicht. Alain de Botton werpt deze vraag op: “Wanneer hebben we het gevoel dat een baan zinvol is?” Vijfduizend man zijn in een fabriek ergens in België  bezig met het bereiden van koekjes. Elfhonderd koekjes rollen er per minuut van de lopende band. Een mixer kneedt zesduizend ton deeg en een gevaarte daarnaast zet vijfendertigduizend felgekleurde doosjes per uur in elkaar. De voorstelling gaat zijn bevattingsvermogen te boven.

Wat doet een manager eigenlijk, in de grote wereld van de accountancy, waar onze verzekeringen worden geregeld?  Alain de Botton volgt wekenlang een medewerker op de voet. Opnieuw neemt hij ons mee in een onbekende wereld, waar managers zestig uur per week werken als een anoniem  radertje in een keiharde wereld van afgewongen succes. Alain de Botton analyseert messcherp de werkomgeving, maar toont mededogen als hij zijn vermoeide manager weer met de metro aan het einde van de werkdag terug laat keren naar zijn slaapdorp buiten Londen: “De enige zinnige oplossing voor deze specifieke combinatie van vermoeidheid en nerveuze energie is wijn. Niemand zou de kantoorbeschaving overleven zonder het onstuimige opstijgen en landen met behulp van koffie en alcohol.”

Een adembenemend boek, waarvan de Engelse titel, ‘The pleasures and Sorrows of work’,  meer recht doet aan de inhoud, dat de vertaling ervan.



Alain de Botton
´Ode aan de Arbeid´. Amsterdam, Atlas, 2009.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>