“Want”, zo sprak Rudolf Steiner in Stuttgart op 28 augustus 1919 bij de oprichting van de allereerste vrije school,  “U zult zich in de toekomst toch bezig moeten houden met hetgeen er op het gebied van pedagogie en psychologie gepubliceerd wordt – voor zover u daar de tijd en de rust voor heeft.”

In de stapel van publicaties die er de afgelopen maanden over het onderwijs is verschenen, valt Mirjam Schöttelndreier (‘Kan ik ook van mijn kind scheiden’) op door haar onderhoudende toon. Ze laat verschillende onderwijsmensen aan het woord die hun gal spuwen op het louter zelfstandig laten werken van de leerlingen, de vernieuwende didactiek die het studiehuis wordt genoemd. Hoe moet dat dan, zo luidt de kritiek, met het verhaal van de leraar?  In het boek van Corine Ex (‘Opvoeden, wat kun je?’) worden 18 mensen geïnterviewd vanuit verschillende disciplines. Zo worden wetenschappers aan een groter leespubliek gepresenteerd. Het gesprek met de ontwikkelingspsycholoog Willem Heuves valt op, door de warmte en het begrip waarmee hij over pubers praat.

Het meest spraakmakend is echter het boek van Ton van Haperen. Sinds 1985 is hij leraar economie en daarnaast leidt hij leraren op aan de lerarenopleiding van de universiteit in Leiden. Zijn boek vangt aan met de schets van het schrijnende probleem waarover de titel spreekt: er zijn bijna geen doctorandussen meer werkzaam in het voortgezet onderwijs, kinderen krijgen steeds vaker les van onbevoegden, de beste leraren staan niet meer voor de klas maar zitten in het management en van de beginnende leraren die enthousiast beginnen, wijkt al binnen vijf jaar een groot deel (veertig procent) uit naar het bedrijfsleven. Het Sociaal en Cultureel Planbureau wijst er vervolgens op dat een derde van de leraren in het voortgezet onderwijs vanaf 2007 met pensioen gaat. Kortom: een dramatisch scenario.

Van Haperen ziet een tragedie in drie bedrijven: de leraar en zijn salaris (er is teveel bezuinigd), de leraar en zijn werk in de klas (het onderwijs is verkwanseld door de vernieuwingen: basisvorming, studiehuis en vmbo) en de organisatie van de school (alles is op losse schroeven komen te staan). Op deze drie aspecten gaat Van Haperen uitgebreid in.  Hij presenteert de harde feiten en zet alles nog eens op een rijtje te zetten in een wat droge stijl, die hij echter weet te kruiden door waar gebeurde verhalen uit de praktijk van het onderwijs in te lassen. (“Elize begint in 2004 als lerares. Tijdens haar opleiding…”). Van Haperen kraakt de ontwikkelingen van de laatste decennia – en dat is volkomen terecht. Het is natuurlijk ook bekende kost. Wie de columns leest van Leo Prick (NRC-Handelsblad), komt weinig nieuws tegen. Het wordt boeiend als Van Haperen een oplossing aandraagt. Hij breekt een lans voor de leraar. Want die wordt in het huidige onderwijs als productiemedewerker gezien, en niet als kenniswerker. Hoe ontstaat die sterke, erudiete, eigentijdse leraar? Als antwoord citeert hij een hoogleraar innovatiemanagement, die stelt: “Voor leraren die zelf niet willen blijven leren, is in de moderne school geen plaats.” Dat is de spijker op de kop. Hoe die leraar daartoe komt, daarover – helaas – geen woord.

Tijd en rust zijn nodig, aldus Rudolf Steiner, om dit soort publicaties te bestuderen. Tijd hebben we wel, maar de rust steeds minder. Het is ook in mijn ogen van betekenis dat je als vrije schoolleerkracht weet hebt van de recente ontwikkelingen in het onderwijs. Maar het is temeer van belang voor de vrije schoolleraar, omdat alleen studie van de antroposofie de maatschappelijke werkelijkheid uit zicht doet verdwijnen. Studie van de literatuur over onderwijs uit het veld leert je als vrije schoolleraar kijken in de spiegel en reikt de woorden aan, waarin je kunt spreken met anderen zonder in antroposofisch jargon te vervallen.

Lievegoed heeft eens over de betekenis van de antroposofie gezegd: “Wij hebben de wereld van de ideeën die we leren kennen door de antroposofie te studeren. Wij hebben ook de wereld van de maatschappelijke werkelijkheid. Het grote probleem is hoe deze twee elkaar zullen ontmoeten.” Lievegoed signaleerde dat probleem in 1976 en zijn woorden zijn actueler dan ooit, gezien de noodsituatie waarin nogal wat vrije scholen verkeren.


Ton Van Haperen. ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007.

“… en hij werd een instrument dat de woorden van Christus overbracht … aan ons.” Met deze woorden werd Rudolf Steiner getypeerd door de Russische symbolist Andrej Belyj, toegewijd antroposoof, in zijn briljante biografie uit 1928 en hij vervolgt: “Hij scheen als het ware terug te schrikken voor de plicht zijn eigen woorden te gebruiken; hij stond er tegenover als tegenover de schaal van de graal; iemand die met zijn wil die heldendaad moest zien te verrichten, net als bij de ronde tafel waarop de graal staat.”

De schaal van de graal… wat mag dat wel betekenen? De eerste keer dat de graal in de literatuur opduikt is het een lichtgevende schaal. De middeleeuwse schrijver Chretien de Troyes schreef daar als allereerste over. De held die er naar op zoek gaat heet Parzival. Hij blijkt uitverkoren en betreedt de graalburcht, maar verzuimt om vragen te stellen, waardoor hij wordt uitgestoten. Tot bezinning gekomen gaat hij opnieuw op zoek naar de graalburcht en dan vertelt het verhaal plots over de verhalen van Gawan en door de dood van Chretien de Troyes bleef het verhaal onvoltooid. Robert de Borron schreef daarna een versie, waarin de graal een kelk is, Wolfram von Eschenbach schreef daarop een versie, waarin de graal een steen is. Het graalverhaal sprak enorm tot de verbeelding, werd mateloos populair en kende in de negentiende eeuw een revival (denk aan Richard Wagner) en is ook nu nog steeds een veelgelezen ‘pageturner’ (denk aan Dan Brown).

Het oorspronkelijke verhaal van Chretien de Troyes is nu een in een frisse vertaling (door Ard Posthuma) opnieuw verschenen. Het is een feest om te lezen, omdat vaart, humor en lichtheid de toon bepalen. De rijmvondsten (het verhaal is in gepaard rijm hertaald) zijn speels en doen aan kwaliteit nog het meest denken aan het briljante werk van Annie M.G.Schmidt. Zee rijmt op chevalier, gedoe rijmt op clou, gevaren op Loire, gratuit op geniet. De lichtheid van toon is opvallend, omdat het zo’n zwaarwichtig onderwerp betreft. Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel worden “maatjes” en “kanjers” genoemd en zij laten zich  “potverdrie”en “stennismakerij” gewoon ontvallen. Het maakt de vertaling springlevend en het verhaal werkelijk onverhoeds toegankelijk.

Het is ook onthutsend om te bemerken dat Wolfram von Eschenbach driekwart van het verhaal gewoon letterlijk gekopieerd heeft. Maar dat is ook een a-historische opmerking. Men noemde dat geen plagiaat, maar navolging. De vraag naar originaliteit ging pas in de Romantiek een rol spelen.

Op 1 januari 1914 sprak Rudolf Steiner in Leipzig over de graal. (Het boek met deze voordrachtencyclus verscheen al eerder in vertaling onder de titel: ‘Christus en het mysterie van de graal’, GA 149). Hij maakte de luisteraar van toen (en de lezer van nu) deelgenoot van zijn vaak vergeefse pogingen de schaal van de graal te duiden. Hij ging te rade bij de Noorse volksgeest, maar hij begreep in eerste instantie het antwoord niet. Hij bezocht de St. Pieterskerk te Rome, zag de pieta van Michelangelo en kreeg niet een visioen maar, naar eigen zeggen, een ware imaginatie. Toen kon hij, jaren later, zijn waarheid onthullen. Wie naar de maan kijkt, ziet de donkere schijf en daaronder de sikkel die oplicht. Wat ziet iemand die dat schouwt? Rudolf Steiner: “ … dan zie je de donkere schijf en in wonderbaarlijke lettertekens in okkult schrift op de maansikkel – de naam Parcival! “ Het beeld valt ook zo te begrijpen: die goudglanzende sikkel is als de goudglanzende schaal, daarin rust de donkere hostie. Een imposant en onvergetelijk beeld. De berekening van Pasen, dat immers jaarlijks op een andere datum valt, is op die maanstand gericht, onthult Steiner.

Tegelijkertijd is het ook waar wat Steiner zelf opmerkt: “Je komt nooit dichter bij de graal met welke woorden dan ook.” Dat geldt natuurlijk ook voor zijn eigen voordrachten. In die zin gaat er niets boven het lezen van het oorspronkelijke verhaal zelf, dat nu in een sprankelende vertaling de hedendaagse lezer daartoe brutaal verleidt!


Chretien de Troyes   ‘De graal’. Amsterdam, uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Rudolf Steiner   ‘Christus en de spirituele wereld’. Amsterdam, uitgeverij Pentagon, 2007. Prijs 27, -

“Er zou nog veel te zeggen zijn als deze schets een kleurrijke schildering zou moeten worden.” Met deze verzuchting sluit Rudolf Steiner zijn laatste van tien verslagen af. Als Steiner sprak, werd alles altijd genotuleerd, maar bij deze voordrachtenreeks die hij in 1922 hield in het Goetheanum, de zogenaamde ‘Franse Kursus’, maakte Steiner zelf verslagen in beknopte vorm. Ed Taylor stelt dan ook in zijn nawoord: “De referaten geven zich niet gemakkelijk gewonnen.” Hetgeen betekent dat ze de lezer nogal op de proef stellen. Want de extracten zijn dor en beknopt als een uittreksel. De starre feiten staan schematisch bij elkaar. Het voordeel is, dat het er geen overdaad aan woorden is. Alles staat keurig gerangschikt bij elkaar.

Steiner gaat bijvoorbeeld in op filosofie, kosmologie en religie. Drie gebieden die hij opnieuw wil inspireren. Hoe? Kennis van de etherische mens is van belang voor de filosofie, de kennis van het astrale lichaam voor de kosmologie en begrip van het Ik voor de kosmologie. Op eenzelfde overzichtelijke wijze gaat hij in op de begrippen imaginatie, inspiratie en intuïtie. Er zijn weinig voordrachten aan te wijzen waarin Steiner zo helder over deze begrippen doceert. Vervolgens gaat Steiner in op de betekenis van de slaap en de functie van de dromen, waarin de mens herhaalde aardelevens beleeft. In een ander referaat zal hij daarover een veelbetekende opmerking plaatsen: “In het astrale organisme leeft een nabeeld van het vooraardse bestaan.” Parels van uitspraken tref je voortdurend aan: “Wat in de diepten van de ziel zich roert als religieus verlangen, is voor het waken de nawerking van het beleven van de sterren tijdens de slaaptoestand.”

Het is duidelijk dat zulke opmerkingen zich niet lenen voor een oppervlakkige lezing. Ze willen herkauwd worden en vragen om een persoonlijke respons. Het lezen van deze ‘Franse cursus’ is beslist een stroeve aangelegenheid. De woorden hebben inderdaad weinig kleur. Ze doen een beroep op de actieve lezer, waarbij wel een grondige kennis van de antroposofie een vereiste is, om niet verloren te raken in deze occulte teksten. De titel van dit boekje is weliswaar zeer pakkend – “Antroposofie in drie stappen” – maar ook misleidend. Alsof je een korte inleiding in de antroposofie ter hand zou nemen. Niets is minder het geval.

Wat verder opvalt aan de voordrachten, is een doublure. Ergens komt Steiner te spreken over de zin van het lijden. Hij merkt op dat het geluk dat we beleven, te danken is aan ons lot, maar dat de echte inzichten die we in ons leven opdoen, te danken zijn aan de “bittere en smartelijke belevenissen.” Deze woorden treft men ook vrijwel letterlijk aan in een andere cyclus van Steiner, nl. in een extra voordracht die hij hield in Oxford, 20 augustus 1922. Steiner plagieert hier zichzelf. Een voetnoot was hier wel op zijn plaats geweest.

De voordrachten van Steiner smeken dus om een respons. Lievegoed is ons daarin voorgegaan, in zijn onmisbare boek ‘Mens op de drempel’ (1983).  Als Steiner bijvoorbeeld keer op keer spreekt van “het moreel-geestelijke waardewezen” en de lezer in verwarring achterlaat, spreekt Lievegoed van een “pakketje” dat ieder mens na zijn aardeleven in de geestelijke wereld achterlaat, om dat pakketje bij een nieuwe geboorte weer op te pikken.  Onmisbaar zijn in mijn ogen zulke ‘vertalingen’ in eigen woorden, van de inzichten van Steiner. Wie de voordrachten uit 1922 op deze manier uitgeeft, neemt zijn lezerspubliek zeer serieus, want gaat ervan uit dat men tot zo’n respons in staat is.

Ed Taylor schreef een inspirerend nawoord. Hoewel hij ook aanvechtbare uitspraken doet (over de ontwikkelingsweg merkt hij op: “Je kunt niet verliezen, alleen maar winnen” – alsof er nog nooit iemand is een psychose is geraakt!), trekt hij een sprekende vergelijking tussen het begaan van een ontwikkelingsweg en het leren spelen van een muziekinstrument. Het is jammer dat het nawoord zo kort uitvalt, want deze vergelijking smaakt naar meer.

In zijn nawoord vermeldt Taylor dat Steiner in 1922 ook de jongeren mobiliseerde, uit onvrede met de toenmalige beweging: “Teveel ingekeerdheid, te weinig daadkracht.” Hij zegt er niet bij dat Steiner ongelofelijk inspirerende woorden sprak tot diezelfde  jongeren. Die cyclus ( de zogenaamde ‘Jugendkurs’) is veel te onbekend gebleven. Ligt hier een taak voor een nieuwe, kleurrijke uitgave in vertaling door uitgevrij Pentagon?


Rudolf Steiner   ‘Antroposofie in drie stappen’. Uitgeverij Pentagon.

“Op de ochtend dat hij gearresteerd zal worden…” Zo begint het laatste hoofdstuk uit de debuutroman van de jonge Nederlandse schrijver van Marokkaanse afkomst, Hassan Bahara. De hoofdpersoon ligt nog op bed die ochtend, als de politie binnenvalt in het ouderlijk huis. Of hij Kader Zeroual is? De handboeien gaan om. In de gang huilt zijn moeder op een zangerige manier, zijn zus huilt mee, zijn vader zit op een bank in de huiskamer, hoofd in de handen. De buren kijken vanaf het balkon hoe hij wordt weggevoerd in een politieauto.

Kader, de jonge Marokkaan over wie deze roman gaat, is een stoere en stille jongen die op de havo zit. Naar school gaat hij amper. Hij hangt rond, thuis heeft hij niets te zoeken. Hij blowt veel, heeft een vriendin met wie hij wel slaapt maar niet spreekt, komt met een dealer in contact. Op het schoolfeest randt hij een jong meisje aan in de wc, slaat een docente tegen de vlakte en wordt geschorst. Hij doet mee aan een roofoverval en wordt dan van zijn bed gelicht.

In literair opzicht valt er weinig te beleven aan deze debuutroman. Het proza is vakkundig, maar vlak en voorspelbaar. (Ook de reportages van Bahara, die journalist is, gaan daar mank aan. Het blijft vaak allemaal buitenkant, als hij bijvoorbeeld schrijft over de ‘banlieues’ van Parijs). De verveling van Kader wordt de verveling van de lezer. De taal wordt wel verfrist met hedendaags slang: bradda (geld), doekoe (geld), nakken (neuken), tabakka’s (sigaretten), tatta (Nederlander), zemmels (homo’s).  Maar het is allemaal wel erg cliché:  jonge Marokkaan die spijbelt van school, voortdurend stoned is en het slechte pad kiest.

Over jonge criminele Marokkanen in Nederland schreef Fleur Jurgens (journalist en filosoof) een boeiende studie. De meeste situaties uit de roman van Bahara, die een gezin portretteert, blijken te gelden voor de gehele Marokkaanse gemeenschap. Bijvoorbeeld:  Marokkaanse ouders die niet weten op welke school hun kind zit; Marokkaanse vrouwen die leven als kasplantjes en bij de huisarts klagen over hoofdpijn, maar vooral depressief zijn (in de roman van Bahara wordt er heel wat ‘Seroxat’ geslikt); Marokkaanse jongeren die zich niet identificeren met de Nederlandse buitenwereld, die ze minachten vanwege de zedeloosheid en de softheid, de “wij-cultuur” waarin veel Marokkanen nog leven, waardoor er weinig ruimte is voor individuele verantwoordelijkheid en eigen inbreng, zelfstandig en onafhankelijk denken en handelen ongewenst is.  Fleur Jurgens: “Deze explosieve samenloop van omstandigheden zorgt ervoor dat in de achterstandswijken een Marokkaanse onderklasse groeit van rancuneuze jongemannen, die Nederland de schuld geven van hun kansarme status. Is ontsnappen aan het Marokkanendrama wel mogelijk? ”

Fleur Jurgens sprak meer dan 60 mensen (jongerenwerkers, buurtvaders, huisartsen, psychologen, leerplichtambtenaren, gezinstherapeute) en ploegde de actuele wetenschappelijke literatuur (68 studies) over het onderwerp vakkundig door. Het resultaat is onthutsend. De analyse is scherp en schrijnend, de adstructie in mijn ogen waterdicht. Wat jammer dat haar aanbevelingen ontsierd worden door een misser. In de slotzin beweert zij bemoedigend zegt dat er voor elke Marokkaan een uitweg is, “voor elk individu”, nl. door op het juiste moment de juiste keuze te maken. Maar ze heeft juist zelf met kracht van argumenten aangetoond hoe dubieus die positie van het individu is!

Deze spraakmakende studie werpt een ander licht op de roman van Bahara: de jonge criminele Marokkaan is de huidige rauwe realiteit. Wie dat beseft,  leest een sociologisch documentaire die de lezer naar de keel grijpt. Bahara, die met acht broertjes en zusjes opgroeide in Amsterdam Slotervaart, modelleerde de hoofdpersoon van zijn verstikkende roman naar zijn oudere broer, die ook vastzat voor een ernstig delict.

Heeft de vrije school hier een maatschappelijke taak in de Randstad? Ooit waren de vrije scholen eilandjes van cultuur, anderen ten voorbeeld. Tegenwoordig staat menig vrije school op de zwarte lijst van de inspectie, wegens wanprestaties. Maarten Ploeger heeft als betrokken Amsterdamse vrije schoolleraar jarenlang bijzonder veel en goed werk verricht, zonder klinkend resultaat. Hoe hard nieuwe initiatieven gewenst zijn, blijkt opnieuw uit beide boeken – absoluut verplichte kost voor elke betrokkene – over de huidige tweede generatie Marokkanen. Hans Bahara zegt daarover tenslotte in een interview, dat goed onderwijs een cruciale rol kan spelen.


Hassan Bahara   ‘Een verhaal uit de stad Damsko’. Amsterdam, Van Gennep, 2006.

Fleur Jurgens, ‘Het Marokkanendrama’. Meulenhoff, 2007.

Was Jezus getrouwd met Maria Magdalena? In het nieuwe testament lezen we dat Maria Magdalena de eerste was aan wie de opgestane Jezus zich vertoonde. Ze kon niet geloven dat hij het was, daar in de tuin bij het graf, totdat hij haar aansprak. De evangelisten hebben erover verhaald en Steiner nam het helderziend waar. Maar lezen we in de vijf voordrachten die Rudolf Steiner in 1913 in Oslo hield, (‘Bijzonderheden over het leven van Jezus’) over een mogelijke verhouding met Maria Magdalena? Welnee. John van Schaik, godsdiensthistoricus, werpt de vraag op omdat in de kaskraker van Dan Brown, ‘De Da Vinci Code’ die verhouding tussen Jezus en Maria Magdalena als een voldongen feit wordt gepresenteerd. Dan Brown suggereert dat na 2000 jaar van geheimhouding door de Kerk die geheime relatie eindelijk eens uit de doeken wordt gedaan. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier een roman, dus fictie, maar desalniettemin zijn er miljoenen lezers wereldwijd van die waarheid overtuigd geraakt.

Het antwoord van de schrijver op deze vraag is een ondubbelzinnig nee.

John van Schaik (1956) volgde, zo lezen we in het curriculum vitae van zijn proefschrift, de middelbare school bij de paters Jezuïeten, werd boerenknecht, volgde de Middelbare Landbouwschool en werkte jarenlang in de verslavingszorg. Op latere leeftijd ging hij studeren en promoveerde twee jaar geleden aan de theologische faculteit. Die academische achtergrond is een verademing. In een heldere en zakelijke stijl wordt vakkundig, stap voor stap, heel precies, feit en fictie gewogen. Zijn eruditie biedt hem de mogelijkheid de nieuwsgierige lezer breeduit te informeren. Laten we er de eerste hoofdstukken eens bijnemen.

Volgens veel moderne esoterici was Jezus getrouwd met Maria Magdalena, de bruiloft te Kana zou de bezegeling van het huwelijk zijn en het kind dat er uit voortkwam heette Sarah. Hoe komt iemand daarbij? Van Schaik wijst op de inmiddels beroemde ‘Nag Hammadi’ boeken, die een Egyptische boer in 1945 aantrof in een aantal kruiken. In de vierde eeuw na Christus werden deze boeken niet meer tot de canon gerekend, dus ketters bevonden. Gnostieke christenen verstopten daarom deze geschriften. De opvatting van Dan Brown en anderen wordt ontleend aan het ‘Evangelie van Maria’ en het ‘Evangelie van Filippus’, die we kennen uit die ‘Nag Hammadi’ bibliotheek. Daarin wordt verteld hoezeer Jezus was gesteld op Maria Magdalena. Bij Dan Brown wordt dat: “en kuste haar vaak op de mond”. John van Schaik neemt dat niet zomaar aan. Hij gaat terug naar de bron. Wat lezen we in het ‘Evangelie van Filippus’?  In de vertaling van Luttikhuizen: “Hij kuste haar dikwijls op haar (mond).” Kortom: ‘mond’ staat tussen haakjes. Men vermoedt dus dat er op deze plaats in de tekst ‘mond’ kan hebben gestaan. Maar dat hoeft niet. De wetenschappelijke editie van Robinson, Van Schaik pluist alles heel secuur uit, staat er: “(and used to) kiss her (often) on her (…).” Deze wetenschapper is dus nog voorzichtiger. Het woord ‘mond’ ontbreekt eenvoudigweg.  Maar dat het de mond zou kunnen zijn, is heel wel mogelijk, wijst Van Schaik aan. Alleen had dat geen erotische betekenis. Met grote kennis van zaken bespreekt Van Schaik uitputtend de inwijdingskus in de oudheid en hij toont aan dat niet alleen in de esoterische traditie die kus van belang was, maar dat ook onder christenen heel wat afkusten. Langzaam evolueerde die kus tot een mystieke en een natuurfilosofische omhelzing. De conclusie van Van Schaik: de kus drukt een geestelijk en geen fysiek huwelijk uit. Daarmee verwijst hij de zogenaamde relatie tussen Jezus en Maria Magdalena naar het rijk der fabelen.

Op eenzelfde grondige wijze bespreekt Van Schaik nog enkele andere thema’s uit de vermaarde roman: de middeleeuwse graalliteratuur, de rol van de katharen, de theosofen, seks en de tempelieren.

Het is onbegrijpelijk dat de auteur zijn betoog enkele keren op losse toon onderbreekt om de lezer deelgenoot te maken van zijn gesprekken met een Mariabeeld, of zijn mening omtrent bepaalde televisieprogramma’s. Ook het voorwoord, met confidenties op het katholieke vlak,  gaat daar mank aan. Het zijn opmerkingen die detoneren in zo’n erudiete studie waarin voortdurend in een cholerische stijl -  kort, doelgericht en afgebeten – louter de feiten centraal staan.


John van Schaik   ‘Waarom Jezus niet getrouwd was met Maria Magdalena’. Zeist, Christofoor 2006. Prijs 17,50 euro.



“Is het stervensuur voorbestemd?” De vraag werd gesteld aan Volker Fintelmann, hoogleraar geneeskunde in Duitsland, publicist en antroposoof. Zijn antwoord luidde: “Ja, beslist. Zelfs het precieze moment van sterven. Het is tot op de seconde exact in het levensplan van ieder mens opgenomen.” Er is vanuit het antroposofisch mensbeeld een duidelijk idee omtrent het levensbegin – geen abortus, maar er bestaat kennelijk ook een vastomlijnd idee inzake het levenseinde – geen euthanasie. Fintelmann is daarover heel duidelijk: ook bij een ongeneselijke ziekte zit je het hele leven uit.

Hugo Claus werd 75 jaar in 2004. In interviews raakte hij toen al telkens de draad van zijn betoog kwijt en schrijven lukte niet meer. Hij had heldere en ook verwarde momenten. Zijn gevoel voor ruimte en tijd was weg, zijn korte geheugen liet hem in de steek. De diagnose luidde uiteindelijk: Alzheimer. Hij dicteerde zijn vrouw Veerle een e-mail om zijn vrienden op de hoogte te brengen en meldde dat hij zelf zou bepalen wanneer het genoeg was geweest. Hij wilde niet als potplant eindigen. In de laatste weken liet hij oesters aanrukken en champagne. Toen vond hij de zachte zelfgekozen dood op een zelfgekozen tijdstip. Zelden is er met zoveel eerbied teruggeblikt op een schrijver als in deze bundeling ‘De laatste van mijn demonen’, met lucide bijdragen van ondermeer Cees Nooteboom en Erwin Mortier. Niemand die aanstoot nam aan zijn beslissing, behalve de katholieke kerk in de kranten na zijn overlijden.

Wat doet Alzheimer? “De hersenen van Alzheimerpatiënten zijn gekrompen en vertonen grote gaten. Een gat in het geheugen stemt dus meer dan eens ook overeen met een letterlijk gat in de hersenen. Het proces van de ziekte van Alzheimer begint altijd in de diepe hersenen, helemaal binnenin. Doordat er gaten geslagen zijn, kunnen signalen niet meer probleemloos doorgestuurd worden.” Aldus Christine van Broeckhoven. In haar autobiografie ‘Brein en branie’ vertelt ze dat ze haar leven voor de wetenschap beschouwt als een “voorbestemming”. Zij heeft als onderzoeker naar Alzheimerdementie naam gemaakt in België, maar ook in het buitenland, vooral in de Verenigde Staten. Een vrouw in de wetenschap die gezegend is met een olifantengeheugen, met een passie voor het brein en een ongelofelijk doorzettingsvermogen. Van Broeckhoven: “Ik werk hard, lang, gedreven en geconcentreerd.”

Iris Murdoch, de grote schrijfster en filosofe, werd aan het einde van haar leven dement. Haar man, John Bayley, schreef er een hartverwarmend boek over, dat later ook is verfilmd, ‘Iris’. Heel scherp brengt hij de achteruitgang van zijn dierbare vrouw in beeld en beschrijft ook, en dat is zo bijzonder, hoe hij daarmee leert omgaan: “Grappen kunnen dan vaak redding brengen. Het lijkt wel of humor alles overleeft. Een plotselinge lach, flarden rijmelarij, een liedje, plagerige onzinrituelen die vroeger liefdevol uitgewisseld werden, dat alles kan ineen een blije reactie teweegbrengen, en een stralende glimlach, die me altijd doet denken aan het eerste contact tussen ontdekkingsreizigers en inboorlingen als de blanke door een clowneske pantomime de inboorlingen aan het lachen weet te krijgen. Ze is niet te volgen maar is er volledig van overtuigd dat er een geanimeerde uitwisseling plaatsvindt. Soms laat ik mijn eigen ongecoördineerde gedachten dan ook de vrije loop en antwoord met even rare zinnen of verhaspelde citaten. ‘De Chersonesesische tiran was vrijheids meest geduchte vriend,’ zeg ik bijvoorbeeld met een veelbetekende blik. Dan knikt ze ernstig en glimlacht samenzweerderig.”

Het ontroerende fragment komt uit de bijzondere bloemlezing over dementie, ‘Altijd vandaag’. Zeer knap gekozen fragmenten (39 in aantal) van ondermeer: Bernlef, Dostojewski, Inez van Dullemen, Gogol, Bert Keizer, Karel van het Reve, Annie M.G. Schmidt, John  Updike, J.J. Voskuil.

Na het stellige antwoord van Fintelmann dat niemand gerechtigd is zijn eigen levenseinde te bepalen, luidt de volgende vraag natuurlijk: waarom niet? Fintelmann: “Het is de uitdaging aan ieder van ons om met de geschonken levensjaren die nog resten, nieuw karma te scheppen.” Voor wie kennis neemt van de besproken boeken of dementie wellicht ook van nabij meebeleeft,  is zo’n antwoord ongelofelijk wrang. Antroposofie als mensbeeld dat in elke levenssituatie rotsvaste zekerheid verschaft en waar geen plaats lijkt voor de menselijke maat waarin twijfel en vragen opspelen. Hugo Claus nam het heft wel in eigen handen. Onder zijn bewuste e-mail zette hij veelbetekenend: “Ni Dieu, ni maitre”.


‘De laatste van mijn demonen’   Voor Hugo Claus. Uitg. De Bezige Bij, 2008.

Christine van Broeckhoven  ‘Brein en branie Een pionier in Alzheimer’. Uitg. Olympus, 2008

‘Altijd vandaag  Dementie in de literatuur’. (red. Frans Meulenberg, Inez Beaufort). Uitg. Meulenhoff, 2008.


Petrarca herontdekte de brief als communicatiemiddel tussen vrienden en deze heraut van de Renaissance inspireerde Erasmus ertoe ook een brede correspondentie op te zetten, met talloze koningen, geleerden en kardinalen. Daarmee vestigde Erasmus zijn faam in geheel Europa. Zijn in het Latijn geschreven correspondentie is later door een Engelse geleerde vertaald en uitgegeven – een levenswerk. Op basis van die uitgave schreef historicus Huizinga in 1924 zijn magistrale biografie over Erasmus. Over de jonge kloosterling constateert hij: ”het is een jongeman van meer dan vrouwelijke overgevoeligheid.” Wat daar van te denken?

Later zijn er ook bloemlezingen uit de immense correspondentie verschenen. In 1960 (Noordenbos) bijvoorbeeld, waarbij de keuze een erudiete en een avontuurlijke Erasmus laat zien, met een scherpe pen en een natuur die soms ook naar roddel en achterklap neigde. In 2001 (Favy), waarin een geheel andere selectie uit de brieven werd gemaakt en er portret ontstond van de zeer geleerde bijbelse humanist. Elke bloemlezing, zo blijkt, is altijd ook een interpretatie. De bloemlezer toont het portret dat hij zelf waardeert.

Nu in deze jaren de verzamelde brieven van Erasmus voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnen, krijgen de woorden van Huizinga opeens een verrassende context. De jonge Erasmus bleek verliefd op een andere kloosterling en uit zijn brieven spreken expliciet homo-erotische gevoelens. Huizinga en daarna diverse bloemlezers achtten die informatie kennelijk niet relevant voor een groot publiek. Hoe pakt de aangekondigde “brede selectie” uit bij de brieven van Steiner?

Een jonge Rudolf Steiner schrijft op 13 januari 1881 aan een dierbare vriend die in de liefde is teleurgesteld. Hij geeft hem deze raad: “…das ist echte Liebe, wo man mit dem Bilde zufrieden ist und das Fleisch nicht braucht, ja es unterdruckt.” Freud was toen pas 25 jaar en moest zijn theorieën nog ontvouwen! In de nieuwe Nederlandse vertaling luidt deze zinsnede zo: “… dat is ware liefde, als je met het beeld tevreden bent en het lichamelijke niet nodig hebt, ja, er zelfs van afziet.” Maar “afzien” is iets geheel anders dan “onderdrukken”! Wat gebeurt er hier? Ik wijs op een andere brief, van 12 juli 1891, waarin Steiner hoog oplopende ruzie heeft met zijn werkgever Suphan in Weimar en die gevoelens, schrijft hij aan Pauline Specht,  “lieber unterdrucken will.” Wat zegt de vertaling nu? De brief blijkt niet te zijn opgenomen. Natuurlijk, niet alles kan gepubliceerd.  Maar toch zijn talloze epistels uit die maanden aan Pauline Specht wel degelijk vertaald! De keuze valt echter telkens op van die brave brieven, die een voorbeeldige Steiner tonen. Of kattebelletjes waarin hij vraagt of hij mag komen logeren… Ongelofelijk! Waar is die prachtbrief van 3 januari 1891 aan Ladislaus Specht, waarin Steiner een onthullend zelfportret schetst: “O, die altijd betweterige en eigenwijze toon die ik altijd aansla!”? Niet opgenomen. Waar is zijn onthutsende brief van 23 december 1895, waarin hij een pijnlijke balans opmaakt over zijn hopeloos vergooide jaren in Weimar? Die man van vlees en bloed wordt buiten beeld gehouden. Waarom?

Laten we een andere steekproef nemen. Steiner wordt verliefd op een al wat oudere weduwe met vijf kinderen. Hij hield kennelijk van wat moederlijke zorg. De brieven aan deze Anna Eunike borrelen over van bruisende levenslust en ongetemde ambitie. Hij is als een kind zo verliefd (2 december 1896), maar tegelijkertijd gaat zijn werk – altijd – voor (24 maart 1897) en dus ziet hij geen tijd om haar te ontmoeten en put zich uit in welgemeende excuses (26 mei 1897), hij belooft zijn leven te beteren, maar desondanks verandert zijn gedrag niet, zo blijkt uit al die liefdesbrieven…! Deze innemende, want menselijke figuur, blijft geheel onzichtbaar, want, het wordt eentonig, al die brieven ontbreken. In plaats daarvan worden we getrakteerd op onbenullige kwesties, als hij (19 december 1896) aan Anna Eunike schrijft dat hij gratis onderkomen heeft gevonden in ‘Hotel Russischer Hof’. Wat kan ons dat huis schelen, als iemand zijn hart opent?

Ik stel vast dat de vertaling zouteloos is, de uitputtende aantekeningen bij de brieven niets dan lof verdienen, maar dat de bloemlezing ons bewust (elke keuze is een interpretatie!) een portret schetst van een man in muisgrijze tonen: vlak en vervelend.


Rudolf Steiner, ‘Brieven’. Zeist, Vrij geestesleven, 2007. (Werken en voordrachten). 45 euro.

Rudolf Steiner zei op 16 augustus 1922  in een pedagogische voordracht te Oxford het volgende: “De vrije school moet geen school zijn, maar een vooropleiding, zoals elke school een vooropleiding zou moeten zijn voor de grote school, die het leven zelf voor de mens is.”  Bij herlezing bleef mijn oog voor het eerst haken aan deze uitspraak. Ik liep er dagenlang mee rond en realiseerde me opeens dat het een verwijzing inhield naar de beroemde uitspraak van Seneca: “Non scholae set vitae discimus” (“Wij leren niet voor de school zelf, maar voor het leven.”) Was het niet de filosoof Herder die in een rede in 1800 ‘(‘Vitae, non scholae discendum’) deze uitspraak belichtte? Op dat moment begon het me te dagen en er opende zich een vergezicht.

Het is een ervaring die iedereen kent, die Steiner bestudeert. Je scant niet de tekst in trefwoorden, zoals je met de krant doet, maar je leest aandachtig in wat uit vier fasen blijkt te bestaan: je leest totdat je iets raakt, dat herkauw je, je vraagt je af waarom het jou raakt, en tenslotte vraag je je af hoe je daar vruchtbaar respons op kunt geven. Op die wijze wordt de tekst getransformeerd en daarbij de lezer ook! We spreken dan van wat in de Benedictijnse traditie ‘lectio devina’ wordt genoemd.

Over het lezen van de voordrachten van Steiner schreef Sam (1960) een aantal artikelen die nu gebundeld zijn. Martina Maria Sam is euritmiste, uitgever van Steiners werk, redactrice van het weekblad ‘Das Goetheanum’ en ze schreef een doctoraalscriptie over de bordtekeningen van Steiner. Haar zeven artikelen tellen samen 165 voetnoten en van Steiner worden 56 titels genoemd. Voorwaar een serieuze studie, die de lezer ook veel te bieden heeft.

Als eerste krijgen de tegenstanders van Steiner het woord. Verschillende mensen – Paul Klee, Rainer Maria Rilke, Herman Hesse en ook enkele hedendaagse publicisten – vegen de vloer aan met de wijdlopige stijl van Steiners voordrachten. Vervolgens legt Sam uit waarom die spreekstijl zo uniek is. De taal is berekend op een zintuiglijke wereld en daar begon het gevecht van Steiner.

Vervolgens citeert Sam de woorden van Steiner waarin hij opmerkte dat hij bewust moeilijk sprak. Het leren begrijpen wordt dan een innerlijke oefening. (Waarmee gedoeld wordt op het transformatieproces van de lezer). Heel mooi is de manier waarop Sam dan wijst op de karakteristieke plaats van het werkwoord in de bijzinnen van Steiner. Hij haalt het werkwoord ongewoon maar doeltreffend naar voren. Sam concludeert daaruit dat Steiner zich bewust was van wat hij deed. Vanzelfsprekend. Maar is dat een afdoende antwoord aan de critici? Sam gaat daarna in op een heikel thema. Van Goethe nam Steiner de gewoonte over om niet te definiëren, maar te karakteriseren. Terecht wijst zij erop dat Steiner hiermee de academisch geschoolden tot wanhoop brengt. Ze gaat heel precies in op de wijze waarop Steiner vergelijkingen gebruikt, en nauwelijks metaforen. Hier geeft ze ook heel vruchtbaar respons.

Aan het slot citeert ze nogmaals bevestigend Steiner, die zijn eigen werk “partituren” noemt. Maar in mijn ogen is dat standpunt veel te passief! Elke voordracht is een oproep zelf respons te geven in je eigen context en reikt daarmee veel verder dan het lezen van een partituur. (Die omvat niet meer dan de eerste twee fasen van de ‘lectio divina’).

Het is opmerkelijk dat er geen woord van kritiek valt. Steiners stoplappen en wijdlopigheid en de talloze overlappingen – het wordt allemaal als geniaal bestempeld.

Sam heeft gelijk dat de voordrachten niet zijn bedoeld om te worden aangepast door een willekeurige vrije schoolmoeder. (De innerlijke transformatie van de lezer zou er inderdaad door verloren gaan).

Maar dat geldt voor de individuele lezer. Sam rept met geen woord over de werkgebieden. Op vrije scholen zijn de pedagogische voordrachten een onbekend hooggebergte geworden. Je kunt wel blijven roepen dat je zelf moet klimmen en je blijven keren tegen het kabelbaantje ernaar toe, maar het gevolg is wel dat men langzaam van het hooggebergte aan het vervreemden is. In die zin is het boek van Sam een preek voor eigen parochie en mist het helaas elke maatschappelijke relevantie.


Martina Maria Sam   ‘De woordkunst van Rudolf Steiner’. Zeist, Christofoor.



Aandacht is een centraal woord in de spirituele ontwikkelingsweg die Rudolf Steiner heeft beschreven. Hij zei erover, in het standaardwerk ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’: “Wie een geestelijke scholingsweg betreedt, moet tot aandacht in staat zijn, want een mens moet leren wat hij nog niet weet. Hij moet aandachtig gadeslaan wat zich openbaart.” Aandacht, aldus Steiner, is een van de grondgevoelens die van de leerling op weg wordt gevraagd.

De filosoof Cornelis Verhoeven schreef ooit een mooie verhandeling over aandacht. Hij noemt aandacht het toespitsen van de blik. Maar, aldus Verhoeven, je richt je dan niet op iets wat de aandacht trekt, je zorgt vooral dat je ruimte maakt voor wat aandacht verdient. Hij wijst dan op het Duitse woord ‘Andacht’, dat ook vroomheid betekent.

Een meester van die toegewijde aandacht is de schrijver K. Schippers. In zijn nieuwste bundel beschrijft hij bijvoorbeeld het verblijf in Brussel in het gezelschap van zijn dochter. In de derde alinea van de beschouwing lezen we: “Ik ging als eerste overmoedig naar beneden.” Hij is dus nog thuis. Hij gaat de trap af. Tja. Wat is daarvan het belang? Willen we dat lezen? Brussel is de stad waar Conrad Busken Huet zich optimistisch bewoog, waar Eduard Douwes Dekker op het zolderkamertje ‘Au Prince Belge’ zijn ‘Max Havelaar’ schreef, waar W.F. Hermans zijn laatste jaren doorbracht, waar Benno Barnard woonde, als Hollands dichter… Maar er wordt geen grootse pelgrimage gemaakt. De schrijver daalt de trap af. Dat is alles! Waarom staat er vervolgens dat hij dat “overmoedig” doet? Is zelfs die handeling vermetel en roekeloos te noemen? We zijn als lezer nu op onze hoede. De verteller neemt de bocht van de trap en ziet de krant liggen. Wil hij het nieuws kennen? Pakt hij de krant op of niet? Er staat: “En ik deed weer een stap terug om dat ogenblik waarop iedere reis begint te verlengen, om van die paar seconden een minuut te maken.” Wat een toewijding aan het moment. Hier stolt een argeloze handeling. Niet het doel, maar de weg ernaar toe krijgt alle aandacht. Dan moet er dus iets worden geboren… Dat gebeurt dan ook. De krant wordt gepakt. Zonder te vermelden wat er gelezen wordt, staat er:  “Toen ik het las dacht ik: van nu af aan sta ik er alleen voor.” Wat is er gebeurd in die fractie van een seconde? Nu is ook de lezer vol toegewijde aandacht. Wat blijkt? Het gaat om een overlijdensbericht. De man die hij zo bewonderde, Jacques Tati, is overleden. Vervolgens blijkt heel subtiel, hoe dit bericht het gehele bezoek aan Brussel kleurt en betekenis geeft.

Ruimte maken voor wat aandacht verdient, heeft alles te maken met een houding. Een open houding waar je voortdurend ontvankelijk bent. Neem bijvoorbeeld zijn bezoek aan de schilder Willem van Althuis (van wie ook enkele reproducties in de bundel zijn opgenomen). Zo beschrijft Schippers wat hij ziet bij de ontmoeting: “Donkere ogen, in zijn blik de grootste aandacht, vermengd met een lik argwaan.” De schilder weigert te spreken in de televisiedocumentaire die van hem gemaakt wordt. Woorden, lijkt de schilder te willen zeggen, leiden de aandacht maar af van wat er echt toe doet: de doeken. Het idee charmeert Schippers. Wie zo op aandacht is gespitst als Schippers, doet bijzondere ontdekkingen. Zo wordt een studie beschreven van Johannes Schepens (1741-1810), die veertig jaar lang ononderbroken aan de bestudering van de honingbij heeft gewerkt. Zoveel toewijding verovert het hart van Schippers, en de lezer.

“Alles wat je om je heen ziet is gekleurd” – zo luidt een ultra kort gedicht van zijn hand uit de jaren ’60. Al een oeuvre lang praktiseert Schippers deze kijk vol opperste aandacht op de werkelijkheid en die attitude maakt zijn boeken al veertig jaar tot ongelofelijk avontuurlijke lectuur. Je leest bij hem vaak over wat je al wist, en telkens kijk je nooit meer hetzelfde naar de zaak waarover je bij hem hebt gelezen..

Cornelis Verhoeven besluit zijn beschouwing over aandacht met de woorden: “De werkelijkheid ontleent een groot deel van haar betekenis hieraan dat zij voorwerp van geconcentreerde en toegewijde aandacht is.” Het had het motto van deze prachtbundel kunnen zijn.



K. Schippers   ‘Stil maar’. Amsterdam, Querido, 2007. Prijs: 18, 95 euro





In zijn voordrachten sprak Rudolf Steiner  aan het begin van de twintigste eeuw vaak zijn verbazing uit over het feit dat de meeste mensen wel intensief gebruik maakten van bijvoorbeeld een tram als vervoermiddel, maar geen enkel idee meer hadden hoe zo´n tram nu eigenlijk werkte. Hij vond dat zorgwekkend, omdat het vervreemding in de hand werkte. De mens leek losgezongen van de omgeving waarin hij leefde. Steiner vond dat een zorgelijke ontwikkeling en riep de mensen op zich bewust te worden van de wereld die hen omringde.

De filosoof Alain de Botton kaart hetzelfde probleem aan in zijn boeiende boek ´Ode aan de arbeid´. De burger doet overdag boodschappen in de supermarkt bij hem om de hoek, graait een lekker stukje tonijn uit de schappen en verorbert het bij de avondmaaltijd. Een volstrekt alledaagse handeling. Maar, vraagt Alain de Botton zich af, hebben we enig idee wat er allemaal aan voorafgaat, voordat die tonijn ons smakelijk zo toelacht? Alain de Botton neemt zich voor het proces te beschrijven dat tot zo’n supermarktproduct leidt, maar al snel wordt duidelijk dat niemand hem helpen wil.

Alain de Botton: “ Pogingen om na te gaan hoe warmwatervissen bij ons op tafel belanden, stuiten in de sector algauw op dezelfde achterdocht als die waarmee rond 1780 moet zijn gereageerd op navraag naar de slavenhandel.”  Uit de geciteerde woorden blijkt, dat de schrijver een geboren stilist is, die voortdurend bewondering afdwingt voor zijn sprankelende proza. De filosoof besluit dat er niets anders op zit dan zelf naar de Indische Oceaan te vertrekken. Misschien vindt hij daar een aanknopingspunt. Eenmaal op de Malediven doet hij vijf dagen tevergeefs onderzoek. Maar als hij bij de kapper zit, blijkt die over goede connecties te beschikken, en hij komt bij de minister zelf terecht en die geeft hem het adres van een tonijnexporteur. Een vliegtuig brengt hem bij een koraaleiland, maar de vissers hebben een defecte motor. De dagen verstrijken in een verzengende hitte. Eindelijk vertrekt de boot. Na urenlang dwalen  nadert er een school geelvintonijnen. Een vis hapt in de makreel die als aas was uitgegooid. Vijftig kilo wordt aan boord gehesen, een visser houdt hem onder zijn rubberlaarzen en begint, “ de hel breekt los” , als een razende met een grote hamer op de tonijn in te slaan, hem schoon te maken en in de koelruimte op te slaan. Er volgen nog twintig tonijnen. De boot arriveert bij de visverwerkingsfabriek, drie minuten later zijn ze gefileerd en verschijnen de fel oranje etiketten, bekend vanuit de supermarkt. De Airbus vliegt naar Heathrow, twee uur later ligt de tonijn in de overslagloods, een trucker rijdt die nacht naar de supermarkten. Tweeenvijftig uur nadat de tonijn uit de zee is opgediept, wordt hij in de schappen gelegd!

Het is een ronduit schokkend essay. Op eenzelfde manier benadert Alain de Botton de manier waarop koekjes worden geproduceerd. Het realistische verhaal tart de verbeelding. Er ligt een keiharde wereld van big business achter het onschuldige koekje dat ons bij de koffie het leven even verlicht. Alain de Botton werpt deze vraag op: “Wanneer hebben we het gevoel dat een baan zinvol is?” Vijfduizend man zijn in een fabriek ergens in België  bezig met het bereiden van koekjes. Elfhonderd koekjes rollen er per minuut van de lopende band. Een mixer kneedt zesduizend ton deeg en een gevaarte daarnaast zet vijfendertigduizend felgekleurde doosjes per uur in elkaar. De voorstelling gaat zijn bevattingsvermogen te boven.

Wat doet een manager eigenlijk, in de grote wereld van de accountancy, waar onze verzekeringen worden geregeld?  Alain de Botton volgt wekenlang een medewerker op de voet. Opnieuw neemt hij ons mee in een onbekende wereld, waar managers zestig uur per week werken als een anoniem  radertje in een keiharde wereld van afgewongen succes. Alain de Botton analyseert messcherp de werkomgeving, maar toont mededogen als hij zijn vermoeide manager weer met de metro aan het einde van de werkdag terug laat keren naar zijn slaapdorp buiten Londen: “De enige zinnige oplossing voor deze specifieke combinatie van vermoeidheid en nerveuze energie is wijn. Niemand zou de kantoorbeschaving overleven zonder het onstuimige opstijgen en landen met behulp van koffie en alcohol.”

Een adembenemend boek, waarvan de Engelse titel, ‘The pleasures and Sorrows of work’,  meer recht doet aan de inhoud, dat de vertaling ervan.



Alain de Botton
´Ode aan de Arbeid´. Amsterdam, Atlas, 2009.